Hoofdtekst
'Heksebetje' woonde met haar broer doa op den draai noa Colmo(n)t. - Ziet zje dat pjaad (= paard) lopen?... Wel doa. - Doa bleven de pjaad (= paarden) altijd staan van de voerman. Ene van Zepperen kwam bij hem wonen en die ze(g)t: 'doa gaat zje e speel aan de hand hebben!' - 'Wat zou het!' zei de voerman, en he ging, mè ze pjaad bleef staan aan 'Heksebetsje'. Mè hij stak met e mes in de dom van de kar en binnes begon de heks te kièke (= schreeuwen) zo hel (= hard) as ze kon. Sind(s) he(ef)t ze hem niemee aangehouden.
Onderwerp
SINSAG 0534 - Die dreizehnte Speiche   
Beschrijving
Bij de bocht naar Colmont bleven de paarden van de voerman altijd staan. Heksebetje woonde daar immers. Een man uit Zepperen werd door de voerman gewaarschuwd: "Je zal niet voorbij die plaats geraken!" De koppige man vertrok echter toch met paard en kar. Bij de bocht naar Colmont bleef de kar inderdaad stilstaan. Daarop stak de man met een mes in de as van het wiel, waarna hij de heks in haar huis hoorde schreeuwen van de pijn. Sindsdien heeft de heks geen enkele kar meer tegengehouden.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (tongeren en omstreken)
742
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Heksebetje   
Naam Locatie in Tekst
Overrepen   
Plaats van Handelen
Colmont   
