Hoofdtekst
’t Is van een dochter J. uit Harelbeke. Ze was van den duivel bezeten. Als ze at – ze at schellen vlees – ze moest er zoveel eten als dat ze van duivels bezeten was. Om daarvan verlost te zijn gingen ze naar de paster en zeiden: "Gij zijt niet bekwaam om ze daarvan te bevrijden en de enen onderpaster ook nie. Ge zijt nog te werelds. Den tweeden onderpaster, den dien gaat ons helpen.Den tweeden onderpaster deed ze weg die duivels, binst de messe, al messe doende. En ze zeggen dat hij zo gedwongen was, dien onderpaster, dat de dreupels zweeet op zijn aangezicht stonden. Zij was in de kerke, en z’heeft drie keren opgepakt geweest tot in den hemel van de kerke. Den onderpaster zei dan: "Brengt ze were van waar dat ze gekomen is." Hij heeft er nadien de dood van opgedaan.
Beschrijving
Een meisje uit Harelbeke was door de duivel bezeten. Het meisje moest zoveel sneetjes vlees eten als dat er duivels waren die haar in hun macht hadden. De pastoor was niet in staat om het meisje van de duivels te bevrijden. De eerste onderpastoor kon dat ook niet omdat hij nog te werelds was. De tweede onderpastoor verjoeg de duivels terwijl hij de mis deed. Dat kostte de onderpastoor zoveel moeite dat de zweetdruppels van zijn gezicht rolden. Het meisje dat op dat ogenblik in de kerk was, werd tot driemaal toe tot tegen het plafond van de kerk gegooid. De onderpastoor zei: "Breng haar terug vanwaar ze gekomen is". De geestelijke is daarna gestorven.
Bron
M. Sagaert, Leuven, 1955
Commentaar
3.1 Duivels
west-vlaams (zuiden)
201
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Marke   
Plaats van Handelen
Harelbeke   
