Hoofdtekst
A: Ja, ja, en ze zeien ook, en ja, als er entwaar een kind dood ging en ja, ’t waren al kleine huisjes, er gingen veel jongens dood hé, ’t is betoverd. Ge moet een bezem van tweeschen leggen (dwars leggen), ze gaat over die bezem niet komen. Ze gaat in huis niet meer komen. Versta je’t. Maar dat waren symbolen, want een toveres heeft een bezem zou ik zeggen hé. E wê ge moest een bezem op de zulle leggen. Ze kon daar niet over. Zulke gedachten hadden ze, de oude mensen.E wê, als ik in ’t vlas aan ’t werken was, voor Amelietje Pattyns, ze kwam almeteenkeer af en ze vroeg of dat ik geen dorst had. Ik zei: "Ja" en ze bracht een glas bier. ‘k Dronk het uit tot op de grond, maar de oude werkman die bij mij was beefde als hij ’t zag. "Durft gij dat uitdrinken?" zei hij. "Vaneigens", zei ik " en ’t heeft gesmaakt ook."
Beschrijving
Als er ergens een kind was gestorven, geloofde men vaak dat het kind het slachtoffer van toverij was geworden. Men moest dan een bezem op de drempel leggen. De toveres zou niet over die bezem kunnen stappen.
Bron
F. Ramon, Leuven, 1975
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (ieper)
5
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Beselare   
