Hoofdtekst
Vroeger geloofden de mensen erg aan toverij. En inderdaad, dat waren dingen die waar waren. Mijn schoonzuster heeft dat nog tegengekomen, als ze jong was. Daar was iemand aan haar geweest, een mens die ze niet kende. En die had haar altijd gepakt. En ze doute niet meer. Ze vermagerde, ze kon niet meer eten en ze ging eens bij haar tante. Die zei: “Marie, wat scheelt er toch aan u?” “Ik weet het niet”, antwoordde ze, “het is precies of ik betoverd ben.” En haar tante zei: “Ge moet eens bij de paters gaan.” En ze gingen, maar langs een volledig andere weg, ze waren precies misleid. Ze wisten niet waarin of waaruit. Op den duur zijn ze toch aangekomen om dat te dienen. Ze zijn eigenlijk eerst bij iemand geweest in Wannegem-Lede. En dan bij de paters (Augustijnen – Gent). Ze heeft daar broodjes gekregen en ze heeft een noveen gedaan, en ze is goed gekomen. En ze is nooit meer ziek geweest. En ’s nachts zweette zij, en ze was schau en het was precies alsof er iets op haar lag. En dat was ieder keer om twaalf uur ’s nachts.
Onderwerp
SINSAG 0291 - Mensch von Mahr beritten   
Beschrijving
Een vrouw die door iemand was aangeraakt, vermagerde sterk en had geen eetlust meer. ’s Nachts zweette de vrouw en had het gevoel dat er iets op haar lag. Van haar tante kreeg de vrouw de raad om eens naar de paters te gaan. Daar kreeg de vrouw broodjes. Ze moest ook een noveen doen. Uiteindelijk is ze genezen en ze is nooit meer ziek geweest.
Bron
L. D'haeze, Leuven, 1975
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
oost-vlaams (zuiden)
115A
Schoonzus van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Volkegem   

