Hoofdtekst
En ja jong, g’hoordige de roomannekes en g’en zag ze niet. "Eh ja", zeiden ze, "de roomannekes zijn dare". ‘k En zagge ‘kik da niet en z’en deden zelder (zij) niets bijzonders maar lachdigen en schetterden (schateren) en smeten nen schruwel (schreeuw) uit, maar z’en deden zelden iets kwaad.
Beschrijving
Rode mannetjes kon men wel horen, maar niet zien. De mannetjes lachten de hele tijd, maar ze deden niemand kwaad.
Bron
O. Mattheeuws, Leuven, s.d.
Commentaar
1.2 Aardgeesten
west-vlaams (grens oost- en zeeuws-vlaanderen)
19
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Oedelem   
