Hoofdtekst
In den tijde dat de mensen naar de kerke gingen: ’t vrouwvolk met ulder kapmantels aan en ’t mannevolk met ulder beste kleren aan zagen ze iedere keer dat ze thuiskwamen dat ulder kleren in riemen gesneên waren. ’t En durfde niemand meer naar de messe gaan met schone kleren aan. ’t Was ne keer wat te doen in de kerke en de paster zei: "Ge moet allemaal ulder schone kleren aan doen en niet benauwd zijn, ’t en gaat niet gebeuren, want, moest er entwa gebeuren, ‘k ga ‘k ik, de die die dat doet, noemen met name en toename. – ’t Waren de lakensnijders die dat deden.
Beschrijving
Vroeger droegen de mannen en de vrouwen hun beste mantels om naar de kerk te gaan. In Marke stelden de mensen bij hun thuiskomst vast dat hun mantels gescheurd waren. Uiteindelijk durfde niemand nog zijn beste kleren te dragen om naar de kerk te gaan.
Ter gelegenheid van een feest in de kerk sprak de pastoor tot de mensen: "Jullie gaan allemaal je beste kleren dragen. Jullie hoeven niet bang te zijn, want als er iets gebeurt, dan zal ik de schuldigen eens bij naam noemen!"
Het waren de lakensnijders die de mantels van de mensen stuksneden.
Ter gelegenheid van een feest in de kerk sprak de pastoor tot de mensen: "Jullie gaan allemaal je beste kleren dragen. Jullie hoeven niet bang te zijn, want als er iets gebeurt, dan zal ik de schuldigen eens bij naam noemen!"
Het waren de lakensnijders die de mantels van de mensen stuksneden.
Bron
M. Sagaert, Leuven, 1955
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (zuiden)
106
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Marke   
Plaats van Handelen
Marke   
