Hoofdtekst
In eenentwintig, wij kwamen van Rumbeke naar hier en ons moeders moeder was nog bij ons. ’t Waren al aardestraten en de wagen moste afkomen van Vuylsteke’s, ’t hof ervoren. Ze hadden daar versteld en ze waren twee uren over tijd. Al met een keer ze zagen twee luchten weg en were gaan over de route en mijn moeders moeder zei dat dat dô-keisen waren. "Ge ziet dat wel”, zegt ze, "d’ene gaat naar d’ander, me gaan beginnen lezen”. De vensters van de voiture mosten toe. Als het twaalve was, dat ging nog altijd voort. Mijn moeders moeder zei dat dat dô-keizen waren en dat ze altijd naar mekaar toegingen om entwadde te regleren, ’t gong ’s nachts entwadde gebeuren! En benauwd dat ze was! Nu, als het al uitkwam, dat waren twee mannen met een lantèren. Maar zij, mijn moeder en heur moeder en vader geloofden dat dat een dô-keise was en me mosten lezen omdat z’ervan overtuigd waren dat er entwadde ging gebeuren.
Beschrijving
Enkele mensen die 's avonds met hun kar naar huis reden, zagen lichten heen en weer bewegen over de weg. "Het zijn doodkaarsen die naar elkaar toe gaan om iets te regelen. Er gaat iets gebeuren. We zullen bidden", zei één van de vrouwen in de kar. Om middernacht waren de lichtjes er nog steeds. Later kwamen de mensen te weten dat de lichtjes niets meer waren geweest dan twee mannen met een lantaarn!
Bron
K. Erard, Leuven, 1966
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (ieper)
33
1921
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Sint-Jan   
