Hoofdtekst
Bereên zijn van de kokkemare, ‘k heb dat gehoord uit goê bronne, dat komt van een zekere genegenheid van twee personen onder mekaar, maar die twee personen komen in onverschil, maar ’t moet daar een van de twee zijn die gelaten geweest heeft en ’t moet een vrouwmens geweest hebben, maar op een gegeven nacht was dien vent gereên van de kokkemare, en je riep om hulpe op zijn moeder, maar die sliep daarnevens, en je was zo verre gereên, dat hij geen asem meer hadde, maar osten (als hij) verlost was, sprong er een kleen zwart hondje van z’n bedde, maar dien man liep achter dat hondje al vloeken: “’k Gaan je doodslaan, ‘k gaan je doodslaan”. Maar dat hondje liep, ’t was op een zolder van 20 meters, en ’t sprong door ’t ende van den zolder en ’t was weg.
Onderwerp
SINSAG 0291 - Mensch von Mahr beritten   
Beschrijving
Een man die 's nachts door de maar werd bereden, was helemaal buiten adem, zodat hij zijn moeder niet om hulp kon roepen. Toen de man verlost was van die kwelling, zag hij een klein zwart hondje van zijn bed springen. Hij riep het hondje achterna en riep: "Ik ga je doodslaan! Ik ga je doodslaan!" Het hondje sprong echter op de zolder en verdween even later.
De maar was een ontevreden geliefde die men had afgewezen.
De maar was een ontevreden geliefde die men had afgewezen.
Bron
A.-M. Devynck, Leuven, 1965
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
west-vlaams (franse grens)
121
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Proven   
