Hoofdtekst
’t Wos een up e boerhof die de schapen wachtte. En de poester gerochte in zijn kofer enn’haalde e boek uut enne las in die boek. En binsten datten dor in las, de schaper wos dat geware en de schaper kaam zere nor ’t hof gelopen en je pakte dien boek weer of enne ging nor de zolder. En up ’t hof stoend er een dikte van rô manniges. Dat woren ollemale duvels zein d’oede menschen. Enne ging nor de zolder en je stekte dor e zak lijnzaad en je goot’n uut deur de zoldervijnster enne zei: "Voor elk e zaaige." Je ku gon peinzen hoevele zukke manniges dat er up ’t hof stoen.
Beschrijving
Op een boerderij werkte een Duitse schaper. Op een dag las de knecht stiekem in een boek dat in de koffer van de schaapherder lag. De Duitse schaper voelde dat er iets aan de hand was en haastte zich naar de boerderij, waar hij een zak lijnzaad door het raam naar buiten goot met de woorden: "Voor elk een zaadje". Daarop begonnen de rode duiveltjes alle zaadjes op te rapen.
Bron
S. Top, Leuven, 1964
Commentaar
3.2 Vrijmetselaars
west-vlaams (vrijbos)
133D
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Duitse schaper   
Naam Locatie in Tekst
Merkem   
