Hoofdtekst
In Repen bij 'Broeders' tegenover de kerek - die had doa een wenning (= hoeve) - en doa was dan een bees(t) wa iet had, dan dit, dan dat... altijd iet 's nach(t)s. Alle nachten waren de küj (= koeien) los en de maag(d) vond haar kleer (= kleren) nooit 's moreges. Ze vonden het mes nie voor brood te snij(d)en, ... het ging zelefs zo wijd dat de küj witte kousen aan hadden 's möreges. Toen hebben ze den arties (= veearts) doen komen, en de bees(t)en verschoten (= miskalven). De boer zei: 'die mich zoek(t) moet maar komen, mè dat ze mich met rus(t) laten!' dat zei de man! Toen zijn ze noa de paters gegaan voor toch te weten voorwa die bees(t)en allemaal verschoten (= ontijdig werpen). Toen zeien de paters dat het ene was, die woonde tegenover en die deed dat 's nach(t)s. Ja, dat was ene wa het kruis afgezworen had en wa slechte bük lesde (= boeken las). Doa is veel van waar, mè ich heb nie terniève gestaan.
Onderwerp
SINSAG 0750 - Andere Zauberei.   
Beschrijving
Bij boer B. tegenover de kerk in Neerrepen, gebeurden elke nacht vreemde dingen. Zo werden de koeien vaak losgemaakt en vond men ze 's ochtends soms met witte sokken aan hun poten. De meid vond soms haar kleren of het broodmes niet. Omdat de koeien hun kalveren verwierpen, liet de boer de veearts komen. Die kon echter niet helpen. Van een pater vernam de boer dat het onheil werd veroorzaakt door de man die tegenover hem woonde. Die man had het kruis afgezworen en hield zich wellicht bezig met slechte boeken.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
2.2 Tovenaars
limburgs (tongeren en omstreken)
881
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Neerrepen   
Plaats van Handelen
Neerrepen   
