Hoofdtekst
Vader zaliger met nog ene, met tweeën wilden ze aan de kjôaze (= kersen) gaan in een grote wei met kjôazeböum (= kersebomen). 'Mè zje moet stil zijn, heel stil' zei vader zaliger. En doa was ene muur rond de wei, he nam doa ene krièl (= rode baksteen) uit wa los was, en he stak ene witte maalplak (= zakdoek) tertussen voor den uitgang terug te vinden. Mè dien andere wis(t) dat nie; opeens zagter doa dat wit van verres waaien en he begint hardop te kièke (= schreeuwen), en ze liepen weg. Mè dien ene, die viel op iet en toen stond dat op en het liep weg met hem. Hij is van die bees(t) afgevallen, mè 's anderdaags he(ef)t er verzekerd dat er ter duvel vas(t) had met de jôan (= hoornen)!
Onderwerp
SINSAG 0917 - Teufel (in Tiergestalt) erschreckt Sünder (Fluchende, Holzdiebe, Sonntagsschänder oder Spötter).   
Beschrijving
Enkele mannen gingen stiekem kersen plukken in een ommuurde weide. Eén van de mannen had een witte zakdoek aan de muur vastgemaakt opdat hij de uitgang makkelijk zou kunnen terugvinden. Een andere man schrok bij het zien van de zakdoek en liep schreeuwend weg. In zijn haast viel de man op een beest met horens, dat plots opstond en wegliep met hem op zijn rug. De man was er van overtuigd dat het beest de duivel was.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
3.1 Duivels
limburgs (tongeren en omstreken)
R108
Vader van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Rutten   
