Hoofdtekst
'Aad Tinneke', wei die jong was, naaide ze in Bedeuil (= Widooie) en hare jong(en) kwam haar 's avonds halen. Mè dat was ene weerwolef, en as het uur doa is, dan moet die weg. Opeens zeiter tegen het metske (= meisje): 'gaat maar door, ich moet mijn commissie gaan doen, hier is mijne maalneuzik (= zakdoek), as zje iet tegenkomt, hetzelefde wa, gooit hem dan op hem, en zeg: 'doet hem kapot weiter geweven is.' Het metske deed zo. Aan Könsem (= Koninksem) komt er weer en toen zag het metske dat er vezels tussen zijn taan (= tanden) hangen had, dat was dus haren eige jong(en) wa ze tegen(ge)komen was! 'Ah! zei ze toen, dat zijt zjiè wa mich lastig valt, gaat maar stillekes te-van-door (weg)! zje hoef niemee te komen!'
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Tinneke werd elke dag na het werk in Widooie opgehaald door haar vriend. Onderweg zei de jongeman plots: "Ga jij maar verder. Ik moet even een boodschap doen. Mocht er een hond op je af komen, gooi dan deze zakdoek naar zijn muil en zeg: 'Verscheur de stof zoals ze geweven is!'" Toen het meisje een hond tegenkwam, deed ze wat haar vriend haar had aangeraden. Toen het meisje in Koninksem weer werd vergezeld door haar vriend, zag ze dat hij de vezels van de zakdoek nog tussen zijn tanden had. Verontwaardigd sprak het meisje: "Ga maar weg! Je hoeft niet meer terug te komen!"
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (tongeren en omstreken)
1011 (1)
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Tinneke   
Naam Locatie in Tekst
Koninksem   
Plaats van Handelen
Koninksem   
Widooie   
