Hoofdtekst
Mijne nonk en nog twee ander mannen moesten met ne zak lint naar Boekt. In Boekt hadden ze een machien om dat lint te pletten. Dat machien ging met water, zo gelijk de watermolens. Dat hefde ne dikke boom omhoog en die viel dan met ne slag op ne blok. Zo werd dat lint geplet. Dan werd het gehekeld. Daar sponnen ze draad van om lijverd van te maken. Met hun drieën gingen ze naar Boekt. Onderweg zagen ze altijd op dezelfde plaats een kat op een sink zitten. Mijne nonk zei: "Als die kat nu weer in die sink zit, ga ik ze eens een patat zetten." Die kat zat er en mijne nonk die houwde ernaar met zijne stok. Maar die was zijn handschoen kwijt. Toen ze terug langs die plaats kwamen, lag die stok en die handschoen daar. Zijn handschoen was helemaal kapotgebeten.
Beschrijving
Drie mannen die geregeld samen naar Boekt gingen, zagen onderweg altijd een kat in een boomstronk zitten. Vóór het vertrek zei één van de mannen: "Als die kat nu weer in die boomstronk zit, dan zal ik ze eens een flinke afranseling geven!" Toen de man met zijn stok naar de kat sloeg, raakte hij zijn handschoen kwijt. Op de terugweg zagen de mannen de stok en de handschoen op de grond liggen. De handschoen was helemaal in stukken gebeten.
Bron
A. Princen, Leuven, 1965
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (tussen hasselt en beringen)
150
Oom van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zonhoven   
Plaats van Handelen
Boekt   
