Hoofdtekst
Beschrijving
Een boer kwam met zijn ezel terug van de markt, waar hij een geitje had gekocht. De geit droeg een belletje dat rinkelde terwijl het achter de ezel aan liep. Drie dieven die dat hadden gezien, besloten de boer te bestelen en sloten een weddenschap. Eén dief liep achter de ezel, maakte het geitje los en bond de bel aan de staart van de ezel. Omdat de boer het gerinkel nog steeds hoorde, stelde hij pas een eind verderop vast dat het geitje was gestolen en riep: “Houd de dief!” Op dat moment kwam de tweede dief aangelopen en zei: “Ik heb iemand met je geit naar de weg zien lopen”. De boer vroeg de dief om op zijn ezel te passen en liep weg. De tweede dief ging natuurlijk aan de haal met de ezel. Toen de boer terugkwam, begon hij nog luider te schreeuwen. De boer kwam bij de vijver en trof daar iemand aan die stond te jammeren. De boer vroeg: “Ben jij ook een geit en een ezel kwijt?”, waarop de man antwoordde: “Veel erger dan dat; ik heb alle geld dat ik bezat in de vijver laten vallen en ik kan niet zwemmen”. De mannen spraken af dat de boer in de vijver zou springen om het geld te halen en dat hij de helft zou krijgen. Toen de boer in het water was gesprongen, nam de man, die de derde dief was, zijn kleren mee. Wanneer de boer weer boven kwam, moest hij zich snel uit de voeten maken.
Bron
V. Michiels-Lecock, Leuven, 1973
Commentaar
7. Sprookjes
brabants (tienen)
c
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Sluizen   
