Hoofdtekst
’t Waren daar twee boereknechten en den één zei tegen den andren: "’k Ga mij iphangen met een haverstroot". "Ge durft niet", zei den andre. "Ja, ‘k en doe", zei t’ie en je gink weg en je bleef weg. En achter een ende goeng den andren gaan kijken en je zag den andren daar doorhangen. Maar heel dien tijd had ie daar n’een haze zien lopen van den ene kant naar den andren kant van den bilk (wei). Ze zeien ton ook dat den duvel daar nen ijzerdraad in da stroot stak.
Beschrijving
Op een boerderij werkten twee knechten. Op zekere dag sprak de ene knecht tot de andere: "Ik ga mij ophangen met een haverstrootje". Daarop zei de andere: "Dat durf je niet". De knecht voerde zijn plan uit. Toen de andere knecht ging kijken, zag hij dat zijn vriend was gestorven. Hij had bovendien de hele tijd een haas in de weide heen en weer zien lopen. Men vertelde dat de duivel ijzerdraad in het strootje had gestoken.
Bron
P. Vandewalle, Leuven, 1968
Commentaar
3.1 Duivels
west-vlaams (o van houtland)
185
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Waardamme   
