Hoofdtekst
Beschrijving
In Bunsbeek stond een lemen huis waarin een oude vrouw en een meisje van zeven jaar woonden. Op een dag moest het meisje bloemen gaan plukken omdat de oude vrouw ziek was. Op de Konijneberg hoorde het meisje plots een gekerm. Het was een kaboutertje dat een gebroken been had. Het kaboutertje riep om hulp. Met haar zakdoek maakte het meisje een verband voor het gebroken been. Daarna bracht ze het kaboutertje naar zijn huisje in een hol in de dijk. Het kaboutertje nam iets uit dat hol, waarna zijn been onmiddellijk genezen was. In het hol was ook een danszaal waar de dieren met elkaar dansten. Nadat het meisje had gegeten, kondigde ze aan dat ze naar huis moest. "Ja maar, je hebt nog geen bloemen", zei het kaboutertje, en hij floot op zijn vingers, waarna er een hele troep ooievaars kwam aangevlogen. De ooievaars gingen bloemen plukken in het Bunsbeekse bos. het meisje hoorde het gezoem van nimfen en viel in slaap. Een hele tijd later werd ze wakker van het gehuil van wolven met gloeiende ogen, die haar besprongen. De kabouter floot, waarna de nimfen in paardenhorzels veranderden en de wolven wegliepen. Daarna werden de paardenhorzels weer nimfen. De ooievaars brachten het meisje met de bloemen naar huis. Bij haar thuiskomst zag het meisje dat haar grootmoeder was genezen.
Bron
G. Degeest, Leuven, 1960
Commentaar
6. Sagen - Sprookjes
brabants (hageland)
27
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Hoeleden   
Plaats van Handelen
Konijneberg   
Bunsbeek   
