Hoofdtekst
‘k Heb ik mijn vader dat nog horen vertellen. Je (hij) kwam hij op een avond naar huis op de weg van Leffinge naar Slijpe. En in ene keer stond er daar een groot fel vrouwmens voor hem. En asten (als) hij de strate overstak, ze was zij ook al daar. En m’n vader zei: “Al was ’t da ’t den duivel was, ‘k gaan deure (door)”. n in ene keer stond er een grote groten hond voor hem met een keten aan z’n nekke. En asten (als hij) aan ’t dorp kwam bleeften (bleef hij) in ene keer achter.
Beschrijving
Een man die 's avonds van Leffinge naar Slijpe wandelde, zag plots een grote vrouw vóór zich staan. De man sprak: "Ook al is het de duivel, ik ga voort!" Even later stond er een grote hond met een ketting om zijn nek vóór de man. Bij het dorp was de hond plots verdwenen.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
1.2 Aardgeesten
west-vlaams (kamerlingsambacht)
39
Vader van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Leffinge   
Plaats van Handelen
Leffinge   
Slijpe   
