Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

MVAND0309_0310_43788

Een sage (mondeling), 1955

Hoofdtekst

Weerwolf herkend als hij thuis komt.A'k mee heur vrei, dan woonde zij op de Kalmthoutse Baan en ik op den Brazil. En 't was Bendrechtse kermis en ik kwaam om twaalf uren thuis aan. Ik ging mee vader vissen naar 't Hollands. En dan gingen we mee ne vent: d'r woonde daarveur nen ouwe, vuile jongman en daar hingen die netten. "Wa weer is 't buiten?" vroeg me vader. 'k Zeg: "'t Is stil; 't is goed weer, de maan staat er schoon deur en 't is stil." En we moesten weg met 't opkomende water. "'k Zou naar Vogel Somers willen gaan en vissen", zei ie, "gade nie mei?" 'k Zeg: "'t Kan me nie schillen, maar 'k moet eerst nog een boterhammeken eten." Om één uur moest ik bij hem zijn. 'k Eet nog een boterhammeke; 'k doen een ander broek aan om deur 't water te baaien; en 'k neem ne lange stok mei, van ne meter of zeuven. En 'k gaan veur die vent zijn deur. 'k Moest nooit nie kloppen. As ik riep: "Felix!" dan was ie daar al. Maar nauw kreeg ik nooit geen antwoord. Hij laag nie op zijn bed. "En hij is nog maar en half uurke bij mijn weg!" zegt vader. 'k Kijk in de stal: 't was nen hoge stal, maar daar sting niks as een geit. 'k Doen de staldeur open: geen antwoord. Van de geit wel: "Eêêêêê".Geen antwoord. "Wa mag dat toch zijn??" 'k Gaan naar 't vensterke, en 't was klere maan, en 'k zaag hem nie. 'k Zeg: "Hij is nie in zijn barak." Een beetje wijer woonden een ouw wijfke: daar kwaam ie veul. En we wouwen daar is gaan zien, … zaag ik die achterdeur gaan. En 'k zaag deur die venster en hij rolden een huid op. En aaien we gelopen, dan aai ie nog in die huid gezeten. "Ginder, se, 't rolt binnen, 't is een beest!!!" We wachtten ne minuut of vijf. "Felix, zijde gij da?" "Ja, 'k hem een half uurke geslapen." Maar ik was den eerste, en 'k loop naar achter. En 't was in de kamer gerold, zo'n beest. En 'k aai er eerst geen erg in dat hij het was. 'k Zeg: "Felix, zijde gij da; zijde gij daar just kommen rollen?" En hij was nat van 't zweten: as g'in een sloot zij gevallen, dan zijde zo nat nie. Dien aai zijn eigen moeten spoeien, omda we zo vruug waren, ei! "Vannacht gaan we veul vissen hemmen", zegt ie. En we halen de netten over en mee hopen kwamen z'er in gevlogen: drijentwintig kilo vis in enen trek. En op mijn schouwer de grens over en hij kwaam er achter. Maar aai me vader me laten betijen, dan aai ik gezien hoe dat ie uit die huid was gekommen. En me vader zei: "Zeg het tegen niemand, hoor!" Ja, ne weerwolf die loopt in e vel, en dien hem ik binnen zien rollen!"

Beschrijving

Een jongen die met zijn vriendin naar de kermis in Berendrecht was geweest, kwam omstreeks middernacht thuis en ging dan nog met zijn vader en een vriend vissen in Nederland. De jongen ging naar het huis van zijn vriend, maar hij vond hem daar niet. Hij keek overal, maar tevergeefs. De jongen kwam bij het huisje van een vrouw, waar de achterdeur open stond. Door het raam zag het jongen hoe zijn vriend een vel aan het oprollen was. Toen de vriend bij de visvijver verscheen, was hij verschrikkelijk bezweet. Als de jongen iets vroeger was geweest, zou hij zijn vriend nog in de gedaante van weerwolf zijn tegengekomen.

Bron

M. Van den Berg, Leuven, 1955

Commentaar

1.6 Weerwolven
antwerps (polders ten noorden van antwerpen)
430
memoraat

Naam Locatie in Tekst

Zandvliet    Zandvliet   

Plaats van Handelen

Nederland    Nederland   

Berendrecht    Berendrecht