Hoofdtekst
Moeder hare vader, die was garde op het kasteel. Die kwam hier eens af en zag ene man opkomen. De garde had enen hond met hem en weiter (= toen hij) bij hem kwam arreteert er hem: 'Vriend, van bo komt zje?' Den andere antwoordde nie en toen stambdeter (= stampte hij) op de hond en hij liep op den ijzerweg (= spoorweg) af. De hond liep hem na, mè de garde dors(t) hem nie loslaten want he zou wel gebeten hebben of zo. Terwijl was die vreemde weg. De garde kwam door 't veld terug af en aan den ijzerweg zat enen op de rails; hij dach(t): 'slaap(t) die of wa? Ich gon hem toch maar wakker maken want zje kunt nooit nie weten, as doa ene trein aankomt!' en hij ging noa hem en toen ging die lopen, die doa zat. Dat was e spook? een heks? iets kots (= kwaads), iets kots toch altijd, - genen echte man toch nie - wa overal rondliep!
Onderwerp
SINSAG 0478 - Andere Erlebnisse; unbeschreibbare Spukerscheinungen.   
Beschrijving
Op een dag hield de bewaker van het kasteel een man tegen. De bewaker vroeg: "Vanwaar kom jij?", maar de man antwoordde niet, stampte op de grond en ging verder langs de spoorweg. Toen de bewaker terugkwam, zag hij wat verderop een man op de rails van de spoorweg liggen. Vóór de bewaker de man kon wakker maken, stond de vreemde verschijning al op.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (tongeren en omstreken)
391
Grootvader van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
's Heerenelderen   
