Hoofdtekst
Mijn zuster was ne keer bij de paster naar Woubrechtegem gegaan, en diëne paster had een meisen (meid), een Brusselse, die hier altijd naar Steenhuize kwam bij burremeester Marginet, en op ne keer had ze eiers meegedaan van daar in hare schoot. En de paster vraagt: “Wat hebt ge daar mee?” “Awel, dat zijn eiers.” “Kijk nu ne keer”, zei de paster, en ’t waren allemaal kiekens.
Onderwerp
SINSAG 0750 - Andere Zauberei.   
Beschrijving
Een meisje ging naar de pastoor van Woubrechtegem met haar schort vol eieren. Toen de pastoor vroeg wat het meisje bij zich had, antwoordde ze: “Eieren”. Even later keek ze in haar schort en zag dat die vol kuikentjes zat.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
2.2 Tovenaars
oost-vlaams (denderstreek)
687
Zus van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Steenhuize-Wijnhuize   
Plaats van Handelen
Woubrechtegem   
