Hoofdtekst
’t Staat hier ’n kleen huzeje ’n bitje vordere. ’t Stond daar nen bus (bos). ’t Vergaârden daar olle nachte ridders, frammessons. Van ten elven tot ten enen, drie dagen te weuke, ’n was ’t geen bus meer. ’t Waren nie anders of peerden en verteuren, heren en damen. Ten enen, olles was weg. Z’hên dien’ bus uitgerost. ’t Was daar ’n grote schaaphofstee. ’t Eeste jaar, ze plantten patatten, maar ’t en kwamen geen uit. ’t Groeide daar niet ip. Z’ontboôn de paters. Ze belazen dadde. Ze mosten ’t naaste jare rapen zaaien. Ze zaaiden ’n hele rapier, en ’t kwam één rape uit. Ze was zo groot da heur loof an elken kant van de strate groeide. Ze kapten z’of maar ’s anderdags ze was were zo groot. Ze gaven z’an de schapen, maar ze gaven zukke zoete melk da ze ze nie meer ’n kosten geven. Achter twee jaar, z’hè verdroogd. ’t Hè toene piane an (stilletjes aan) gebeterd.
Beschrijving
Bij een bos in Ledegem stond een klein huisje waar iedere nacht ridders vergaderden, die lid waren van de vrijmetselaars. Drie dagen in de week zag men er van elf tot één dames en heren in paardenkoetsen rijden.
Op een schapenhoeve die daar in de buurt stond, had men geen geluk. Men plantte er aardappelen, maar er kwamen er geen uit. Men liet de paters komen om de boerderij te overlezen. De geestelijken gaven de mensen de raad om het volgende jaar rapen te zaaien. Toen men dat had gedaan, kwam er één raap uit, die zo groot was dat haar loof tot aan de straat reikte. Men hakte het loof weg, maar de volgende dag stond het er weer. Toen men de raap aan de schapen gaf, gaven de dieren zoete melk, die niet bruikbaar was. Twee jaar later is die raap verdroogd. Daarna is er stilaan een einde gekomen aan de ellende op de boerderij.
Op een schapenhoeve die daar in de buurt stond, had men geen geluk. Men plantte er aardappelen, maar er kwamen er geen uit. Men liet de paters komen om de boerderij te overlezen. De geestelijken gaven de mensen de raad om het volgende jaar rapen te zaaien. Toen men dat had gedaan, kwam er één raap uit, die zo groot was dat haar loof tot aan de straat reikte. Men hakte het loof weg, maar de volgende dag stond het er weer. Toen men de raap aan de schapen gaf, gaven de dieren zoete melk, die niet bruikbaar was. Twee jaar later is die raap verdroogd. Daarna is er stilaan een einde gekomen aan de ellende op de boerderij.
Bron
G. Speecke, Leuven, 1959
Commentaar
3.2 Vrijmetselaars
west-vlaams (menen en omstreken)
336
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Ledegem   
Plaats van Handelen
Ledegem   
