Hoofdtekst
Pietje Margrietens Jef dat was vroeger nen groten boer. Hij beloofde ne keer van zoveel zakken koren aan den armen te geven als dat ie graantjes op ’t gat van een meuke kon leggen. Zie, hij kon dat niet doen, en ’t werd daar ook lijk gespookt. Hij had ne jongen die paster was en hij vroeg hem om dat te ontdoen. “Ik zal het doen”, zei ’t ie, “maar ’t zal mijn dood kosten.” En diene jongen is stillekens aan uitgeteerd.
Onderwerp
SINSAG 0450 - Andere Tote spuken.   
SINSAG 0410 - Der gebannte Geist.
  
Beschrijving
Een rijke boer had beloofd dat hij zoveel zakken koren aan de armen zou geven als men graantjes in het achterste deel van een zak kon leggen. Omdat de boer die belofte niet kon volbrengen, begon het te spoken op zijn boerderij. De boer liet zijn zoon, die pastoor was, het kwaad verdrijven. De jongen zei: "Ik zal het doen, maar het zal mijn dood kosten". Die jongen is stilaan uitgemergeld.
Bron
M.-P. Kesteleyn, Leuven, 1964
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
oost-vlaams (vlaamse ardennen)
202
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Nederbrakel   
