Hoofdtekst
Mien voader gieng e ki van Eirtrieke nor Ichtegem en wat innewoars langs die weg stonder ’n hofstedeke. En ost ie dor passeerde begost alles met e keer te ruttelen. En al met eens stond er dor ’n vrouwe voor hem. Da was de boerinne van dat hoveke. En ze vertelde van alles en deed alle soorte van gebaren en was dan plots weer weg.
Beschrijving
Een man die van Aartrijke naar Ichtegem reed, kwam voorbij een boerderij. Precies op die plaats begon de kar van de man te rammelen. Het volgende ogenblik stond de boerin vóór hem allerlei gebaren te maken. Even later was de boerin spoorloos verdwenen.
Bron
L. Cumps, Leuven, 1965
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (z van brugge)
277
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Oostkamp   
Plaats van Handelen
Aartrijke   
Ichtegem   
