Hoofdtekst
Zo was daar op een plaats een weerwolf. Hij kwam gedurig op de venster kloppen 's nachts. Als de mensen kwamen kijken, liep hij weg en dan lachte hij. Dan kwam hij alle avonden terug. Op een keer hadden ze hem verrast want de mensen begonnen op te passen. En toen was hij onder de schuil (= plaats voor gerief en karren) gesprongen, waar de karren stonden. Toen hadden ze hem gevonden en gepakt: dat was een grote, zwarte hond. Huyghen pakte hem bij zijn poten bijeen op zijn schouders en hing hem zo op zijn rug. Hij zei: 'Ik draag u naar de pastoor.' Aan de Demer was er maar een doorgezaagde boom, waar hij moest overgaan. Toen zei hij 'Ik draag u toch naar de pastoor.' Maar die hond spartelde toch zo fel tegen op zijn rug dat hij bang was dat hij hem in 't water zou gooien. Hij liet hem vallen en toen liep de weerwolf weg.
Onderwerp
SINSAG 0804 - Werwolf nimmt viele Gestalten an.   
Beschrijving
Bij H. kwam elke avond een weerwolf op het raam tikken. Wanneer de mensen aan het raam kwamen kijken, liep de weerwolf lachend weg. Op een dag had H. het beest echter te pakken gekregen. Huygen droeg de grote zwarte hond op zijn rug naar de pastoor. Omdat de hond zo tegenspartelde, durfde de man de Demer niet over te steken uit vrees om in het water te vallen. Daarom moest hij de hond loslaten.
Bron
W. Achten, Leuven, 1971
Commentaar
1.6 Weerwolven
midden-limburgs
a
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Diepenbeek   
Plaats van Handelen
Demer   
