Hoofdtekst
Vorken kwam ’t onzend ook ne keer en hij had kastonjen in zijne zak. En Hilaire was toen klein; en hij gaf hem enkele kastonjes; maar ze zeien hem: “G’en moogt ze niet opeten zelle.” En z’hebben ze in ’t vuur geworten, maar dat en waren geen gewoon kastanjen zelle want in ’t stove (kachel) ontploftegen ze ‘k en weet niet hoe.
Beschrijving
Een man die kastanjes op zak had, gaf enkele noten aan de zoon van de persoon bij wie hij op bezoek was. De jongen mocht die kastanjes echter niet opeten. De mensen gooiden de kastanjes in het vuur. Het waren zeker geen gewone noten, want ze onploften met een luide knal in de kachel!
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
2.2 Tovenaars
oost-vlaams (denderstreek)
221
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Voorde   
