Hoofdtekst
Vader en Brom Mayens gingen ne keer fezanten (fazanten) gaan pensen. Ze liepen langs ne binnewegle en al mee ne keer zaten ze in den hellewagen. Ze moesten daar meeëten en ze moesten drinken en binst zongen ze van: "Zoede (zoudt ge) mij niet willen mee mijn dikke vette billen mee mijn rijstpapgat, mee mijn rijstpapgat. (Bis)" En onze (als ze) vele geeten han en gedronken vielen ze in slaap en onze wakkre wierden was ’t gedaan en den hellewagen was weg.
Beschrijving
Twee mannen die fazanten gingen stropen, liepen langs een binnenweg en belandden in de hellewagen. De mannen moesten eten en drinken en ze zongen: "Zou je mij niet willen met mijn dikke vette billen en mijn rijstpapgat, met mijn rijstpapgat!" Na de maaltijd vielen de mannen in slaap. Toen ze wakker werden, was de hellewagen verdwenen.
Bron
O. Mattheeuws, Leuven, s.d.
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (grens oost- en zeeuws-vlaanderen)
55
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Knesselare   
