Hoofdtekst
Dat waren mensen van Zandbergen en alle dagen ’s nachts, ten twaalf uren hoordegen ze kledden opkomen. En ze hoordegen zijn kettingen rammelen, en op zijn blokken. En op nen avond, dat was maar een laag huizeke zagen ze altijd de muts van de gendarm, van die hoge mutsen en dat was kledden die op ’t dak gekropen was!
Beschrijving
Enkele mensen uit Zandbergen hoorden om middernacht altijd kledde met zijn kettingen rammelen. Kledde was op zijn klompen. Op een avond zag men de hoge muts van een politieagent op het dak van een laag huis. Kledde was op dat dak gekropen.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
oost-vlaams (denderstreek)
138
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zandbergen   
Plaats van Handelen
Zandbergen   
