Hoofdtekst
’t Waart hier een boerken op Kleit en hij had twee katten. Maar nui, die katten zaten op zijnen tas (strozolder). Hij peist: "’k Ga hier ne keer die katten wat aandoen". Hij pakt hem daar een koorde, en hij bindt die katten daar alle tweeje mee eldren steirt aan mallekaar. Maar wa graaje (raad je). Die katten springen daar alle twee op hem en ze klauwdigen zijn wezen open en zijn kleren van zijn lijf en moord roepen en moord roepen. En han de mensen niet ter hulpe gegaan, hij liet daar zijn leven bij die katten. En wete wat dat er daar van gekomen is, dat hij heel zijn leven Katte geheten heeft.
Beschrijving
In Kleit woonde een boer die twee katten had. Toen de katten op een dag op de hooizolder zaten, probeerde de boer de dieren met hun staart aan elkaar te binden. Op dat ogenblik sprongen de katten op de boer en krabden zijn gezicht open. Als de mensen die boer niet zouden gered hebben, zou hij gestorven zijn. Die man werd heel zijn leven 'Katte' genoemd.
Bron
O. Mattheeuws, Leuven, 1963
Commentaar
4. Historische sagen
west-vlaams (grens oost- en zeeuws-vlaanderen)
501
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Katte   
Naam Locatie in Tekst
Maldegem   
Plaats van Handelen
Kleit   
