Hoofdtekst
Een meisje vrijde met 'n jong en die was weerwolf. Maar dat wicht wist dat niet. Ze kwamen eens aan de heggen door en de jong zei: 'Ik zou eens moeten 'boksen'. Als u soms 'nen hond tegenkomt, dan moet ge hem uwe maalplak maar voorgooien.' Wat verder kwam haar ook 'ne grote zwarte hond tegen. Ze had 'ne rooie maalplak en die gooide ze hem voor. Op 't leste kwam de jong terug en het wicht zei dat tegen hem: 'Heregod, daar heb ik mij toch verschrikt. Daar komt 'ne grote zwarten hond op mij af.' 'Wat hebt ge gedaan?' vroeg de jong daarop. 'Ik heb hem mijn maalplak voorgegooid, wie ge mij gezegd hebt', zei het wicht, 'en hij schudde hem in zijn muil.' 'Mè hou 'zei de jong, 'da's toch niet waar zeker.' Ze gongen in huis binnen, of in de café, dat weet ik niet, maar het wicht zag de rooi vedzelen nog tussen zijn tanden hangen. Die wist genoeg, ze moest hem niet meer hebben.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een jongeman ging met zijn vriendin wandelen. De jongeman moest echter op geregelde tijdstippen als weerwolf rondlopen, en daarom zei hij tegen het meisje: "Ik moet even een boodschap doen achter de heggen. Als er een hond op je af zou komen, gooi dan je zakdoek naar zijn muil; dan kan hij je niets doen." Even later kwam er inderdaad een grote zwarte hond naar het meisje gelopen. Ze gooide haar rode zakdoek naar de hond, die de stof helemaal verscheurde. Toen de jongeman even later uit de struiken kwam, vertelde het meisje wat ze had meegemaakt, waarop de jongen zei: "Nee maar, dat is toch niet waar, zeker!" Toen ze thuiskwamen zag het meisje dat de rode vezels nog tussen de tanden van haar vriend hingen. Ze wilde hem nooit meer zien.
Bron
R. Celis, Leuven, 1954
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (bree en omstreken)
Herkend aan vezels van een zakdoek: variant (Tongerlo)
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Tongerlo   
