Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

HAREN0175_0175_28602 - De Kabouters deden het Werk

Een sage (mondeling), 1954

Hoofdtekst

De kabouters deden het werk.Der waren twië knechten, da ’s euk van t’huëren zeggen, da’s va vèr veur mijnen tijd; en zegt dien iëne knecht: “We goum ons hier wa leggen, w’hêmme da hier schuëne” en ’t was oest en ze mosten ’n gruët stik rogge afpikken. “Jommer, as dien boer komt en d’r is niets gedoun?” zegt den ândren. “We riskeren wij nie”, zee den ânderen, “Wij hêmme nog tijd tot van den âchternoene en tot van den ouvet euke.”En ze bleven daor liggen tot ’s ouves. Ten zegt dien iënen knecht: “Ik de mijnen en gij den ounen” en ze pikten elk ne schuëf af en giël den boel was af. Zeg zijne maot: “Mor nou opbinnen!” “Da’s niets!” zegt hij, “da za sebiet gedou zijne!” En ze bonnen elk ne schuëf op en ze zetten twië schuëven recht tegen mekour en giël die plek ston rechte. De kabouters deen da, he.

Beschrijving

Twee knechten moesten tijdens de oogst een groot roggeveld maaien. Eén van de knechten sprak tot de andere: "Kom, we gaan hier liggen. We hebben het hier goed". Toen de andere knecht zei: "Jamaar, als de boer komt en ziet dat we nog niets gedaan hebben, krijgen we problemen". De knecht liet zich echter niet opjutten, zodat de twee tot 's avonds bleven liggen. Daarna maaiden de knechten elk een schoof rogge, waarop de ene knecht zei: "Ik de mijne en jij de jouwe". Vervolgens was het hele veld gemaaid. Vervolgens bonden de knechten elk een schoof rogge bijeen. Even later was alle rogge bijeengebonden door de kabouters.

Bron

H. Arens, Gent, 1954

Commentaar

1.2 Aardgeesten
oost-vlaams (land van waas)
109
fabulaat

Naam Locatie in Tekst

Puivelde    Puivelde