Hoofdtekst
Beschrijving
Een man werd ervan verdacht een tovenaar te zijn. De onderpastoor bracht een bezoekje aan de tovenaar, die na een tijdje toegaf dat hij over bijzondere krachten beschikte, die hij had gekregen door te lezen in een boek dat hij van zijn grootvader had overgenomen. Daardoor kon de tovenaar bijvoorbeeld iemand doen stilstaan. "Zou je het boek aan mij durven geven?" zei de onderpastoor, waarop de tovenaar antwoordde: "Ja hoor", want hij kende alles uit het hoofd. De geestelijke tilde het deksel van de kachel op en gooide het boek in het vuur. "Dat helpt niets", zei de tovenaar en trok de lade van de kachel open, waar het boek ongeschonden in lag. Hetzelfde voorval herhaalde zich nog eens, maar toen het boek voor de derde keer in de kachel was gegooid, verbrandde het.
Bron
H. Van Hoof, Leuven, 1958
Commentaar
2.3 Toverboeken
antwerps (lier en omgeving)
311
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Nijlen   
