Hoofdtekst
Te Ph. hadden ze een boerderije van drie werkende paarden, en op ne zomer waren ze zij drie paarden kwijt hé. Maar daar was daar een vrouwmens die kousen maaktegen voor hen. Maar de koster had hun de nagel van een paaskaars gegeên om onder de deur te steken. En ze hadden dat gedaan. En dan waren ’t altijd haar kinders die de kousen weerbrachten, maar zij zelf en heeft er nimmer geweest.
Beschrijving
Op een boerderij waar men drie paarden was kwijtgeraakt, kwam vaak een vrouw die sokken maakte. De mensen hadden onder hun deur een paasnagel gestoken die ze van de koster hadden gekregen. Daarna waren het altijd de kinderen van de vrouw die herstelde sokken kwamen terugbrengen. Zelf kwam de vrouw niet meer.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
2.2 Tovenaars
oost-vlaams (denderstreek)
491
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Appelterre-Eichem   
