Hoofdtekst
’t Was up ’n boerenhof, de knape en de karton (paardenknecht) zagen olle navenden ’n doôkeerse. Ze vertelden ’t an d’andere up ’t hof. "Ge meugt der nie naar winken", zeien ze, "of ze ga julder nekke breken." ’s Anderendags stonden z’in de scheure en de poorte was half open. Ze zagen ze en ze winktegen. Ze kwam of en ze sloten zere (vlug) de deure. ’s Anderdags ’s nuchtens buiste ze (bonsde) up de deure, en heuren hand stond er in gebrand.
Onderwerp
SINSAG 0212 - Spötter pfeift Feuermann heran
  
Beschrijving
Op een boerderij zagen twee knechten iedere avond een doodkeers. Van de anderen kregen ze de raad niet naar het lichtje te wenken; anders zou hun nek gebroken worden. Toen de knechten de volgende dag in de schuur stonden, wenkten ze toch naar het lichtje. Even later kwam het lichtje dichterbij, waarop de knechten snel de deur sloten. Toen het lichtje de volgende dag tegen de deur bonsde, stond er een hand in de deur gebrand.
Bron
G. Speecke, Leuven, 1959
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (menen en omstreken)
20
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Geluwe   
