Hoofdtekst
Het luiden van klokken.
Toen verteller ongeveer zestien jaar was ging hij werken aan de sluis bij de Maaskanalisatie, ongeveer 1926. 's Morgens moest hij al vroeg beginnen n.l. om zes uur. Gekomen in het dorp, hij wist de plaats nog precies, bij Klaas Smeets, hoorde hij opeens hoog in de lucht geklingel van klokken. Hij vond het vreemd. Er moest wel iets bij zonders gebeurd zijn op dat tijdstip want normaal luidde dan geen klok. 's Avonds thuis vertelde hij dit voorval. Men wist ook direct de verklaring. Op de tijdstip was Stina van Schrevenhof, een jong meisje van een boerderij op St. Joost, overleden. Haar reine ziel zou onder klokkengebeier naar de hemel zijn gezweefd.
Toen verteller ongeveer zestien jaar was ging hij werken aan de sluis bij de Maaskanalisatie, ongeveer 1926. 's Morgens moest hij al vroeg beginnen n.l. om zes uur. Gekomen in het dorp, hij wist de plaats nog precies, bij Klaas Smeets, hoorde hij opeens hoog in de lucht geklingel van klokken. Hij vond het vreemd. Er moest wel iets bij zonders gebeurd zijn op dat tijdstip want normaal luidde dan geen klok. 's Avonds thuis vertelde hij dit voorval. Men wist ook direct de verklaring. Op de tijdstip was Stina van Schrevenhof, een jong meisje van een boerderij op St. Joost, overleden. Haar reine ziel zou onder klokkengebeier naar de hemel zijn gezweefd.
Beschrijving
Klokgelui op vreemde tijd is op moment dat meisje sterft en haar reine ziel
naar de hemel gaat.
naar de hemel gaat.
Bron
Collectie Linssen, verslag 17, verhaal 3 (Archief Meertens Instituut)
Naam Overig in Tekst
Maaskanalisatie   
Klaas Smeets   
Naam Locatie in Tekst
St. Joost   
Plaats van Handelen
Maasbracht   
