Hoofdtekst
X. Bakker van der Beek, die tevens jager en ook stroper was, had van het gemeentebestuur een "pendarm" gekregen (pend-armes)= verlof tot het dragen van wapenen. Het stropen deed hij buiten het jachtseizoen. Op een keer had hij zich opgesteld op het "Hazenpaadje" nabij het kapelletje, waar knoteiken stonden. Hij klom in een boom en gewapend met zijn geweer wachtte hij de komst van de hazen af. Het was maanlicht en plotseling verscheen een witte haas. Het was tussen twaalf en één uur 's nachts. Net toen hij de haas wilde schieten, sprak
deze: "Zijn de anderen al voorbij gegaan?" Hij meende hierin te herkennen de heks uit het dorp, die altijd een wit mutsje droeg.
deze: "Zijn de anderen al voorbij gegaan?" Hij meende hierin te herkennen de heks uit het dorp, die altijd een wit mutsje droeg.
Onderwerp
SINSAG 0608 - Andere Begegnungen mit Hexentieren.
  
Beschrijving
Rond middernacht ziet man witte haas die hem aanspreekt; herkennen van heks in haas.
Bron
Collectie Linssen, verslag 28, verhaal 10 (Archief Meertens Instituut)
Naam Overig in Tekst
van der Beek   
Hazenpaadje   
Plaats van Handelen
Vlodrop   
