Hoofdtekst
II In 1936 vertelde een zeventigjarig vrouwtje hem de door haar zelf beleefde wonderlijke geschiedenis van haar eigen huiskat, die op een snikhete zomerdag op de keukenvensterbank gezeten, plotseling met een menselijke stem luid begon te schreeuwen: "Mui is doëd, Mui is doëd (dood)", daarna een geweldige sprong naar buiten nam en met pijlrecht opgestoken staart het veld inrende. De vertelster was toen een meisje van twaalf jaar, en haar moeder, die van de veldarbeid huiswaarts keerde, het Angelus luidde juist, zag en hoorde het schreeuwende beest eveneens: "Mui is doëd, Mui is doëd."
Men heeft Miemke, zo heette de pikzwarte kat, die gele ogen had en een stuiter van een knobbel precies tussen haar rechtopstaande oren (dat was altijd zo vreemd geweest) nooit meer gezien.
Wie Mui was, wist men niet en men had ook nooit van een Mui gehoord. Maar er was absoluut geen twijfel mogelijk: dat had de kat beslist heel duidelijk verstaanbaar geschreeuwd.
Men heeft Miemke, zo heette de pikzwarte kat, die gele ogen had en een stuiter van een knobbel precies tussen haar rechtopstaande oren (dat was altijd zo vreemd geweest) nooit meer gezien.
Wie Mui was, wist men niet en men had ook nooit van een Mui gehoord. Maar er was absoluut geen twijfel mogelijk: dat had de kat beslist heel duidelijk verstaanbaar geschreeuwd.
Beschrijving
Zwarte kat die tijdens het luiden van het Angelus verstaanbaar schreeuwt.
Bron
Collectie Linssen, verslag 35, verhaal 2 (Archief Meertens Instituut)
Naam Overig in Tekst
Mui   
Miemke   
Angelus   
