Hoofdtekst
Verbannen van spoken en heksen:
Het nu volgende verhaal past misschien niet onder dit hoofd. Het werd op de scheerbank verteld door Koopmans Henneske en Wullemke. Op een keer stonden Wullemke en Flanders Driek en Hellegers Tiesj op de Heldense dijk te praten, en werden daar alle drie gebeten door een hond. Beide laatsten waren er van overtuigd, dat het een razende hond was. Ze gingen, dodelijk ongerust, naar het klooster de Achelse Kluis bij Bergeyck om heul, en wel te voet. Vroeg in de morgen gingen ze op weg, want het was een daagse reis. Reeds ter hoogte van Stokershorst bleek, dat Hellegers Tiesj er slecht aan toe was. Deze had een erg woest gezicht door een lange baard. Opeens riep hij tegen zijn metgezel: “Ik moet je bijten!” Hij kwam met geopende mond op Flanders Driek af. Deze ging voor hem op de loop, en bleef de hele reis een flink eind in de voorhoede! Aan de Achelse Kluis aangekomen, vluchtte hij daar de kerk binnen, waar een dienst aan de gang was. Hij was er niet erg gerust op, en bleef omkijken, of Tiesj niet de kerk binnen kwam. Ten einde raad vluchtte hij de sacristie binnen. Hij kreeg Tiesj echter niet meer te zien. Ik weet niet wat er verder gebeurde, maar ik geloof niet, dat er iemand door razernij werd overvallen. Voorzover ik meen, waren het geen ondeugende streken van Tiesj, ofschoon het wel koddig moet zijn geweest.
Geen omzetting in dialect van het verhaal door Engels.
Het nu volgende verhaal past misschien niet onder dit hoofd. Het werd op de scheerbank verteld door Koopmans Henneske en Wullemke. Op een keer stonden Wullemke en Flanders Driek en Hellegers Tiesj op de Heldense dijk te praten, en werden daar alle drie gebeten door een hond. Beide laatsten waren er van overtuigd, dat het een razende hond was. Ze gingen, dodelijk ongerust, naar het klooster de Achelse Kluis bij Bergeyck om heul, en wel te voet. Vroeg in de morgen gingen ze op weg, want het was een daagse reis. Reeds ter hoogte van Stokershorst bleek, dat Hellegers Tiesj er slecht aan toe was. Deze had een erg woest gezicht door een lange baard. Opeens riep hij tegen zijn metgezel: “Ik moet je bijten!” Hij kwam met geopende mond op Flanders Driek af. Deze ging voor hem op de loop, en bleef de hele reis een flink eind in de voorhoede! Aan de Achelse Kluis aangekomen, vluchtte hij daar de kerk binnen, waar een dienst aan de gang was. Hij was er niet erg gerust op, en bleef omkijken, of Tiesj niet de kerk binnen kwam. Ten einde raad vluchtte hij de sacristie binnen. Hij kreeg Tiesj echter niet meer te zien. Ik weet niet wat er verder gebeurde, maar ik geloof niet, dat er iemand door razernij werd overvallen. Voorzover ik meen, waren het geen ondeugende streken van Tiesj, ofschoon het wel koddig moet zijn geweest.
Geen omzetting in dialect van het verhaal door Engels.
Onderwerp
SINSAG 0332 - Spuktier kämpft mit Mann.
  
Beschrijving
Mannen die denken te zijn gebeten door een razende hond, gaan naar de paters om hulp.
Bron
Collectie Engels, verslag 23, verhaal 5 (Archief Meertens Instituut)
Naam Overig in Tekst
Koopmans Henneske   
Wullem   
Flanders Driek   
Hellegers Tiesj   
Achelse   
Naam Locatie in Tekst
Bergeyck   
Plaats van Handelen
Meijel   
