Hoofdtekst
Kabouters:
In Roggel, - aan de rand van het bos, dat het Leudal omzoomt -, ligt de boerderij “Zeelster-hoof”. De overgang van het hoge veld naar het Broek verliep in een steile, met struiken begroeide helling.
Mijn vader, geboren in 1848, woonde daar in zijn jonge jaren als knecht. Hij vertelde mij, dat daar, in die helling, 15 kabouters woonden. Ze hadden een klein huisje, dat half in de helling, en half daarbuiten gebouwd was. Het was een heel mooi en proper huisje, met heldere ruitjes; kraakwitte gordijntjes; fleurig geverfde deuren en venstertjes, en een prachtig mooi bloemenhofje. De mensen mochten daar overdag niet komen; en durfden dit ook niet, omdat ze het er niet pluis vonden.
De kaboutertjes, - oudachtige mannetjes met baarden, en slechts 80 cM hoog -, kwamen overdag veel op deze boerderij, om voedsel te kopen, en soms, om spullen te lenen. Ze kwamen bv. om de andere dag om “twieë pondj èèrpele” (aardappels) waar ze met hun vijftienen 2 dagen van aten. Ze maakten er heel mooie, en heel kleine aardappeltjes van, die er dan hagelwit en zuiver op de schotel uitzagen.
Het huisje lag op 3 minuten van de boerderij. De boer werd wel eens door een der twee hoofdmannen, of leiders, uitgenodigd, om in de nacht op bezoek te komen. De leiders nodigden hem dan aan tafel. De boer kon echter niet gewoon aanzitten, omdat tafel en stoelen veel te klein waren. Er werd, op bevel van de hoofdmannen, door de 13 anderen, opgediend. Het eten was heel erg lekker, en zuiver, doch de beetjes waren zo klein, dat men ze nauwelijks kon proeven. De koffie werd opgediend in kleine porceleinen kopjes van een poppenservies, met gouden randjes en mooie bloempjes, en van helderwit porcelein.
De leiders zaten met de gast mee aan, terwijl de 13 anderen rustig langs de wand van het vertrek hurkten. Als de koffie op raakte, trapte een der leiders op een bijna onzichtbaar draadje op de vloer, waardoor een heel helder en fijn zilveren belletje tingelde. De 13 mannetjes sprongen dan op, en bedienden opnieuw. Op een zekere keer kleedden de hoofdmannen zich in hun beste tenu. Ze hadden schitterende mooie, kleurige frakken aan met gouden tressen en kwasten op de schouders. Hun doordeweekse kleren waren, evenals die van de anderen, gewone kabouterkleren. Op de verjaardag van een der leiders wilden ze eens wat aparts doen. Ze wilden eens een feestmaaltijd houden met spijzen, zoals de mensen die graag aten. De leiders kwamen op de boerderij vragen, of men hun daarbij wilde helpen. Dit werd graag beloofd, en de boer, die pas geslacht had, bracht hun ’s nachts als “proof” een “krammenaad, gebakken in vère-vèt” 1) (carbonade in vet van het buikvlies; beiden van het varken). Ze hadden dit zo heerlijk gevonden, dat ’s anderendaags 2 gewone kabouters kwamen vragen om meer. De boer bracht hun dit weer in de volgende avond. Het bleek, dat ze dit niet konden bereiden in hun kleine keteltjes. Er kwamen twee kabouters, en vroegen: “Boor Lepel: leentj os eure kopere ketel? As wèklaor zeen; en ’t heet good gesmaktj, dan bringe we uch te ketel, gesjoordj en volmaaktj!” Daags daarna brachten ze de ketel, mooi glanzend geschuurd terug. In de ketel, langs de rand in een kring geplaatst, vond men 15 uit hout gestoken beeldjes, van 5 cM hoogte, zeer fijn en precies gemaakt; en een preciese weergave van de kabouters elk. Ze zeiden: “We bringen uch te ketel veurumme. Ten hoeëgstje bedanktj, en we kome noeët mieër trök!”
Hiermee eindigt dit verhaal. Mijn vader moet daar omstreeks 1865 gewoond hebben. De beeldjes, waarvan hij beweerde, ze dikwijls bewonderd te hebben, bleven van vader op zoon in de familie op deze boerderij. Thans woont er een andere familie, en is niet meer bekend, waar de beeldjes zijn gebleven.
1) vèèrevet = niet vet van het buikvlies, maar het liesvet
In Roggel, - aan de rand van het bos, dat het Leudal omzoomt -, ligt de boerderij “Zeelster-hoof”. De overgang van het hoge veld naar het Broek verliep in een steile, met struiken begroeide helling.
Mijn vader, geboren in 1848, woonde daar in zijn jonge jaren als knecht. Hij vertelde mij, dat daar, in die helling, 15 kabouters woonden. Ze hadden een klein huisje, dat half in de helling, en half daarbuiten gebouwd was. Het was een heel mooi en proper huisje, met heldere ruitjes; kraakwitte gordijntjes; fleurig geverfde deuren en venstertjes, en een prachtig mooi bloemenhofje. De mensen mochten daar overdag niet komen; en durfden dit ook niet, omdat ze het er niet pluis vonden.
De kaboutertjes, - oudachtige mannetjes met baarden, en slechts 80 cM hoog -, kwamen overdag veel op deze boerderij, om voedsel te kopen, en soms, om spullen te lenen. Ze kwamen bv. om de andere dag om “twieë pondj èèrpele” (aardappels) waar ze met hun vijftienen 2 dagen van aten. Ze maakten er heel mooie, en heel kleine aardappeltjes van, die er dan hagelwit en zuiver op de schotel uitzagen.
Het huisje lag op 3 minuten van de boerderij. De boer werd wel eens door een der twee hoofdmannen, of leiders, uitgenodigd, om in de nacht op bezoek te komen. De leiders nodigden hem dan aan tafel. De boer kon echter niet gewoon aanzitten, omdat tafel en stoelen veel te klein waren. Er werd, op bevel van de hoofdmannen, door de 13 anderen, opgediend. Het eten was heel erg lekker, en zuiver, doch de beetjes waren zo klein, dat men ze nauwelijks kon proeven. De koffie werd opgediend in kleine porceleinen kopjes van een poppenservies, met gouden randjes en mooie bloempjes, en van helderwit porcelein.
De leiders zaten met de gast mee aan, terwijl de 13 anderen rustig langs de wand van het vertrek hurkten. Als de koffie op raakte, trapte een der leiders op een bijna onzichtbaar draadje op de vloer, waardoor een heel helder en fijn zilveren belletje tingelde. De 13 mannetjes sprongen dan op, en bedienden opnieuw. Op een zekere keer kleedden de hoofdmannen zich in hun beste tenu. Ze hadden schitterende mooie, kleurige frakken aan met gouden tressen en kwasten op de schouders. Hun doordeweekse kleren waren, evenals die van de anderen, gewone kabouterkleren. Op de verjaardag van een der leiders wilden ze eens wat aparts doen. Ze wilden eens een feestmaaltijd houden met spijzen, zoals de mensen die graag aten. De leiders kwamen op de boerderij vragen, of men hun daarbij wilde helpen. Dit werd graag beloofd, en de boer, die pas geslacht had, bracht hun ’s nachts als “proof” een “krammenaad, gebakken in vère-vèt” 1) (carbonade in vet van het buikvlies; beiden van het varken). Ze hadden dit zo heerlijk gevonden, dat ’s anderendaags 2 gewone kabouters kwamen vragen om meer. De boer bracht hun dit weer in de volgende avond. Het bleek, dat ze dit niet konden bereiden in hun kleine keteltjes. Er kwamen twee kabouters, en vroegen: “Boor Lepel: leentj os eure kopere ketel? As wèklaor zeen; en ’t heet good gesmaktj, dan bringe we uch te ketel, gesjoordj en volmaaktj!” Daags daarna brachten ze de ketel, mooi glanzend geschuurd terug. In de ketel, langs de rand in een kring geplaatst, vond men 15 uit hout gestoken beeldjes, van 5 cM hoogte, zeer fijn en precies gemaakt; en een preciese weergave van de kabouters elk. Ze zeiden: “We bringen uch te ketel veurumme. Ten hoeëgstje bedanktj, en we kome noeët mieër trök!”
Hiermee eindigt dit verhaal. Mijn vader moet daar omstreeks 1865 gewoond hebben. De beeldjes, waarvan hij beweerde, ze dikwijls bewonderd te hebben, bleven van vader op zoon in de familie op deze boerderij. Thans woont er een andere familie, en is niet meer bekend, waar de beeldjes zijn gebleven.
1) vèèrevet = niet vet van het buikvlies, maar het liesvet
Onderwerp
SINSAG 0068 - Erddämonen leihen Haushaltsgerät   
Beschrijving
Beschrijving van het leven van kabouters rond 1860; schuren van geleende ketel.
Bron
Collectie Engels, verslag 27, verhaal 1 (Archief Meertens Instituut)
Naam Overig in Tekst
Zeelster-hoof   
Naam Locatie in Tekst
Roggel   
Plaats van Handelen
Roggel   
