Hoofdtekst
Wij hadden buren, dat waren Douwe en Baeije, hier in Kollumerzwaag. Die hadden een boerespultsje en doe souden die naar de merk de andere daags. Daar kwamen een paar mannen bij haar om naar 't vee te sien. En ja, sij hè daar wat omawweseard.
En de andere morgens hoefden de dieren niet naar de merk. Ze waren zo ziek als 't maar kon. Ze leiden tegen de stal aan.
Die mannen hadden de kwade hand, daar stonden se foor bekend.
Moeke sei altyd: "Se bin van de duvel beseten."
Se kennen 't met de ogen wel doen.
En de andere morgens hoefden de dieren niet naar de merk. Ze waren zo ziek als 't maar kon. Ze leiden tegen de stal aan.
Die mannen hadden de kwade hand, daar stonden se foor bekend.
Moeke sei altyd: "Se bin van de duvel beseten."
Se kennen 't met de ogen wel doen.
Onderwerp
TM 3117 - De kwade hand (het boze oog)   
Beschrijving
Mannen met een kwade hand betoveren vee. De mannen zouden van de duivel bezeten zijn. Ze zouden de dieren ook slechts met hun ogen ziek kunnen maken.
Bron
Collectie Jaarsma, verslag 454, verhaal 6 (archief Meertens Instituut)
Commentaar
23 juli 1968
De kwade hand (het boze oog)
Naam Overig in Tekst
Douwe   
Baeije   
Naam Locatie in Tekst
Kollumerzwaag   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
