Hoofdtekst
Wij hewwe 't had in Dokkum in de duvelshoeke. Daar spookte 't in de bakkerij. De bakker had twa dochters. Die kregen ferkering. De feinten wouen bij hen opsitte en froegen of se niet een kamerke hadden, waar se sitten konnen. "Jawel," seien die dochters tegen de feinten, "maar in dat kamerke daar spookt it."
Doe seien de feinten: "Dat willen wij us proberen." Doe gingen se dan naar dat kamerke, maar klokslag twaalf uur doe komt der in man in 't wit binnen en se flogen alle fier fut.
Maar doe sei de bakker op in keer: "Ik wil 't toch eens ondersykje." Dat die de nachts op het kamerke. Om twaalf uur daar kwam de man in 't wit aan, geheel in 't wit. En dy bakker bestoar it bijna, maar hij houde fol. En doe ging die witte man naar de mure toe en doe haalde er een stien weg út de mure en nog een stien haalde hij weg. En een paar die rechtop stonden. En doe kom daar een hele pude met geld út. En dat telde er.
En doe't dat teld wie, doe leide er 't wer del.
Doe dee hij de stenen der weer in, so't se leid hadden en doe ging er weg. Hij was iniens verdwenen.
Maar de bakker ging de andere daags heen en die haalde de stienen der ook út en dan was daar een hele ponge met geld. En dat het er der út nomen.
En hij het syn bakkerijtsje ferkocht en hij is met al dat geld naar Amerika gaan.
Maar hij hie der geen frede met. En doe skreef er aan de burgemeester fan Dokkum sa en sa.
En doe skreef de burgemeester terug, dat hy mocht het geld wel houden, want se konden het huis nou ferhuren, want it spoeke der niet meer.
Doe seien de feinten: "Dat willen wij us proberen." Doe gingen se dan naar dat kamerke, maar klokslag twaalf uur doe komt der in man in 't wit binnen en se flogen alle fier fut.
Maar doe sei de bakker op in keer: "Ik wil 't toch eens ondersykje." Dat die de nachts op het kamerke. Om twaalf uur daar kwam de man in 't wit aan, geheel in 't wit. En dy bakker bestoar it bijna, maar hij houde fol. En doe ging die witte man naar de mure toe en doe haalde er een stien weg út de mure en nog een stien haalde hij weg. En een paar die rechtop stonden. En doe kom daar een hele pude met geld út. En dat telde er.
En doe't dat teld wie, doe leide er 't wer del.
Doe dee hij de stenen der weer in, so't se leid hadden en doe ging er weg. Hij was iniens verdwenen.
Maar de bakker ging de andere daags heen en die haalde de stienen der ook út en dan was daar een hele ponge met geld. En dat het er der út nomen.
En hij het syn bakkerijtsje ferkocht en hij is met al dat geld naar Amerika gaan.
Maar hij hie der geen frede met. En doe skreef er aan de burgemeester fan Dokkum sa en sa.
En doe skreef de burgemeester terug, dat hy mocht het geld wel houden, want se konden het huis nou ferhuren, want it spoeke der niet meer.
Onderwerp
SINSAG 0401 - Der verborgene Schatz.   
Beschrijving
In een spookkamertje is 's nachts om twaalf uur altijd een witte man te zien. De man haalt een aantal stenen uit de muur en haalt een beurs met geld weg. De man telt het geld en legt de beurs en de stenen weer terug op hun plek. De bewoner van het huis, een bakker, ziet het spook het geld tellen en haalt de de geheime schat de dag erna direct weg. Hij verkoopt zijn bakkerij en trekt naar Amerika. In het huis spookt het niet meer.
Bron
Collectie Jaarsma, verslag 454, verhaal 12 (archief Meertens Instituut)
Commentaar
23 juli 1968
Der verborgene Schatz.
Naam Locatie in Tekst
Dokkum   
Amerika   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
