Hoofdtekst
[p. 60]
Breemer Belachelijck versneck.
Een Breemer, eerst nieuw'lijcks t' Amsterdam gekomen sijnde, wiert van sijn Vrienden, voor d'eerste-mael, aen den dis ghesedt, en alsoo-se hem neffens een Iuffer gheplaats hadden; Zoo gebeurden 't, dat de Iuffer voor haer een kuyltje in de schotel gemaeckt had, om de spijs, die-se nuttighde, daer in te doopen. Den Uylskuyken, dit siende, versocht daer op in sijn taal: u Lieber Ionghfer, last mich auch ein mahl in dem loch stippen; dat is op t behendigst: Ay Me-Iuffer, laet ick eens in uw' gat stippen.
Breemer Belachelijck versneck.
Een Breemer, eerst nieuw'lijcks t' Amsterdam gekomen sijnde, wiert van sijn Vrienden, voor d'eerste-mael, aen den dis ghesedt, en alsoo-se hem neffens een Iuffer gheplaats hadden; Zoo gebeurden 't, dat de Iuffer voor haer een kuyltje in de schotel gemaeckt had, om de spijs, die-se nuttighde, daer in te doopen. Den Uylskuyken, dit siende, versocht daer op in sijn taal: u Lieber Ionghfer, last mich auch ein mahl in dem loch stippen; dat is op t behendigst: Ay Me-Iuffer, laet ick eens in uw' gat stippen.
Beschrijving
Een man uit Bremen is voor het eerst in Amsterdam en zit aan tafel. Een vrouw heeft een kuiltje in haar eten gemaakt zodat ze haar hapjes daar in kan dopen. De man zegt vervolgens of hij ook eens in haar gat mag dopen.
Bron
Jan Pietersz. Meerhuysen, De geest van Jan Tamboer of Uytgeleeze stoffe voor de klucht-lievende ionckheydt, Amsterdam, 1659, drie delen
Commentaar
1659
Naam Overig in Tekst
Bremer [Breemer   
Naam Locatie in Tekst
Amsterdam   
Bremen]   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
