Hoofdtekst
Van een Man en sijn Vrouw.
Een kloeck Arbeyts-man, hem hier t' Amsterdam met Schuytevoeren erneerende, had soo luyen Wijf tot Ghemaalin ghekreeghen, dat sy beyde by na, hy in kloeckheyt, sy in traegheyt, sonder weerga waren, en wat goede vermaeningh hy te werck stelde, en door goede Vrienden liet te werck stellen, 't was by haer al voor een doof Mans deur gepreeckt, al wat de Man won wist sy door haer lekkeren beck t'savonts propertjes onder deeken te nemen. 't Ghebeurde eens, dat hy den heelen dach gesloost hebbende, des avonts heel door-regent, bekladt en beslickt (wijl het heel vuyl weer was) na huys gingh, onder weegen wierdt hy van een Kruydenier, om betaelingh [p. 75] van 25. gulden, die zijn Vrouw aen vyghen en Razynen, en andre snoepery, so gehaelt had, als laten halen, aengesproocken; met het hooft vol Muysenesten t' huys komende, quam sy hem in de deur tegen gheloopen, met een wateremmer in de handt, willen de wal water putten, gheeft hem de emmer, en seydt 't is goet ghy hier komt: want wijl het regent, magh ick my niet nat maken, gaet heen hael een emmer water. Hy, stilswijgende haelde een emmer vol water, maer t'huys komende, die willende haer overreycken, goot haer die plompverlooren overt hooft, en haer by den arm nemende, stiet haer ter deure uyt, en de emmer nae haer gat, seggende: Nu sijt ghy nat, haal nu water, soo veel ghy wilt, hier mede besluyt ick mijn dientijdt, en meen voortaen niet meer jongen, maer meester te sijn.
Een kloeck Arbeyts-man, hem hier t' Amsterdam met Schuytevoeren erneerende, had soo luyen Wijf tot Ghemaalin ghekreeghen, dat sy beyde by na, hy in kloeckheyt, sy in traegheyt, sonder weerga waren, en wat goede vermaeningh hy te werck stelde, en door goede Vrienden liet te werck stellen, 't was by haer al voor een doof Mans deur gepreeckt, al wat de Man won wist sy door haer lekkeren beck t'savonts propertjes onder deeken te nemen. 't Ghebeurde eens, dat hy den heelen dach gesloost hebbende, des avonts heel door-regent, bekladt en beslickt (wijl het heel vuyl weer was) na huys gingh, onder weegen wierdt hy van een Kruydenier, om betaelingh [p. 75] van 25. gulden, die zijn Vrouw aen vyghen en Razynen, en andre snoepery, so gehaelt had, als laten halen, aengesproocken; met het hooft vol Muysenesten t' huys komende, quam sy hem in de deur tegen gheloopen, met een wateremmer in de handt, willen de wal water putten, gheeft hem de emmer, en seydt 't is goet ghy hier komt: want wijl het regent, magh ick my niet nat maken, gaet heen hael een emmer water. Hy, stilswijgende haelde een emmer vol water, maer t'huys komende, die willende haer overreycken, goot haer die plompverlooren overt hooft, en haer by den arm nemende, stiet haer ter deure uyt, en de emmer nae haer gat, seggende: Nu sijt ghy nat, haal nu water, soo veel ghy wilt, hier mede besluyt ick mijn dientijdt, en meen voortaen niet meer jongen, maer meester te sijn.
Beschrijving
Een hardwerkende man is getrouwd met een zeer luie vrouw. Op zekere dag heeft de man er meer dan genoeg van. De vrouw wil geen emmer water halen omdat het regent en ze dan nat wordt. De man gooit de emmer water over haar hoofd: nu is ze nat en kan ze ook wel door de regen.
Bron
Jan Pietersz. Meerhuysen, De geest van Jan Tamboer of Uytgeleeze stoffe voor de klucht-lievende ionckheydt, Amsterdam, 1659, drie delen
Commentaar
1659
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22