Hoofdtekst
Van een Apteeckers knecht die een Boer schoor.
Een Boer komende tot Leeuwaerden, in een Apoteeckers huys, alwaer de Meester en de Vrouwe in de Kercke waren, sey hy tegens de knecht ick wilde wel geschooren wesen: De knecht antwoorde, men scheert hier geen hair, ghy moet tot een Barbier gaen: De Boer seide weder, gerieft my, ick hebbe het ghelt ghereed in de hant: De Knecht wederom, men doet het hier niet, het is ons werck niet: De Boer seide, ick wedde was u Meester in huys, ghy soudt het wel moeten doen. Doe seide de Knecht, als ghy immers wilt gheschooren wesen, soo koemt in, dat hy dede, hy een loosen schalck zijnde, nam een Oly-vat en rolde dat in de winckel, settede de Boer daer op, en kreegh een vuile Rijs-sack en dede die den Boer om, en doen haelde hy een Tanghe met een Rooster, begon doe de Boer wat sachjes op het hooft te scheeren, dat de Boer niet en vernaem, overmidts hy so vele te speculeeren hadde op de Dosen, en wat daer op gheschreven was, dat hy nerghens op en [p. 190] dacht; De Knecht denckende, ick moet noch wat anders by de handt nemen, liep nae achteren toe, en haelde een groote Leer, quam daer mede aen slepen, meenende den Boer die teghen de rugghe te setten, maer de Boer dit vernemende, seyde: Wel Knecht, wat wilt ghy met de Leer doen? De Knecht antwoorde, daer wil ick dy plompe beest mee teghen de rugge op klimmen; Doe sprongh de Boer van de Tonne af, scheurde de sack van den hals, ende seide, scheert ghy my? Ia antwoorde de Knecht, dat hebt ghy immers van my begeert, en ick hebbe geen ander scheeren geleert. Die Boer gingh verstoort wech, en seyde, du schelm is dat scheeren.
Een Boer komende tot Leeuwaerden, in een Apoteeckers huys, alwaer de Meester en de Vrouwe in de Kercke waren, sey hy tegens de knecht ick wilde wel geschooren wesen: De knecht antwoorde, men scheert hier geen hair, ghy moet tot een Barbier gaen: De Boer seide weder, gerieft my, ick hebbe het ghelt ghereed in de hant: De Knecht wederom, men doet het hier niet, het is ons werck niet: De Boer seide, ick wedde was u Meester in huys, ghy soudt het wel moeten doen. Doe seide de Knecht, als ghy immers wilt gheschooren wesen, soo koemt in, dat hy dede, hy een loosen schalck zijnde, nam een Oly-vat en rolde dat in de winckel, settede de Boer daer op, en kreegh een vuile Rijs-sack en dede die den Boer om, en doen haelde hy een Tanghe met een Rooster, begon doe de Boer wat sachjes op het hooft te scheeren, dat de Boer niet en vernaem, overmidts hy so vele te speculeeren hadde op de Dosen, en wat daer op gheschreven was, dat hy nerghens op en [p. 190] dacht; De Knecht denckende, ick moet noch wat anders by de handt nemen, liep nae achteren toe, en haelde een groote Leer, quam daer mede aen slepen, meenende den Boer die teghen de rugghe te setten, maer de Boer dit vernemende, seyde: Wel Knecht, wat wilt ghy met de Leer doen? De Knecht antwoorde, daer wil ick dy plompe beest mee teghen de rugge op klimmen; Doe sprongh de Boer van de Tonne af, scheurde de sack van den hals, ende seide, scheert ghy my? Ia antwoorde de Knecht, dat hebt ghy immers van my begeert, en ick hebbe geen ander scheeren geleert. Die Boer gingh verstoort wech, en seyde, du schelm is dat scheeren.
Beschrijving
Een boer wil zich laten scheren en gaat bij een apotheker naar binnen. Alleen de knecht is aanwezig en zegt dat de boer naar een barbier moet. De boer staat er echter op geschoren te worden en de knecht stemt uiteindelijk toe en strijkt hem over het hoofd, omdat hij niet weet hoe hij anders scheren moet.
Bron
Jan Pietersz. Meerhuysen, De geest van Jan Tamboer of Uytgeleeze stoffe voor de klucht-lievende ionckheydt, Amsterdam, 1659, drie delen
Commentaar
1659
Naam Locatie in Tekst
Leeuwarden [Leeuwaerden]   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
