Hoofdtekst
Clucht van Botjannerlandt.
Daer is een seecker Landt, genaemt Botjanner-landt, en is bewoont met ruygh plomp Volck, dat so wanneer sy haer bruyloften of waerschappen houden, vreemde spijse [p. 192] ghebruycken, sy eeten eerst Oyevaers nesten voor Salade, en haer wees-boomen of hooy-boomen voor Ael, en tot haer bancquet eeten sy raden van Ploeghen voor Krakelingen; jae wat meer is, sy gheven de Koeyen speck-struiven, en de Kalvers stock-vis, sy zijn oock soo onvernuftigh datse het Kooren met Bogen afschieten. Dese luiden hebben eens op een tijdt een Buckingh op den wegh gevonden, daer sy seer af verschrikten, niet wetende wat het voor een monster was; Doe quammer een oude Vrouwe, en seide, mijn Soone is seer bereyst hy heeft eens ter Meulen, en twee-mael ter Kercken geweest: Die wierde daer over voor den Raedt ontbooden, alwaer hem dit monster ghetoont worde, en seyden hem, wy hebben verstaen dat ghy veele ghereyst hebt, soo souden wy geerne van u weten of gy dit monster kendet, en ons te segghen hoe het heet; Hy het wel besiende, seide, soo het gheen Leeu of geen Wolf, of gheen Beir en is, soo isset een Ringhel-duive; waer over sy noch huyden ten dage genaemt werden Botjanners.
Daer is een seecker Landt, genaemt Botjanner-landt, en is bewoont met ruygh plomp Volck, dat so wanneer sy haer bruyloften of waerschappen houden, vreemde spijse [p. 192] ghebruycken, sy eeten eerst Oyevaers nesten voor Salade, en haer wees-boomen of hooy-boomen voor Ael, en tot haer bancquet eeten sy raden van Ploeghen voor Krakelingen; jae wat meer is, sy gheven de Koeyen speck-struiven, en de Kalvers stock-vis, sy zijn oock soo onvernuftigh datse het Kooren met Bogen afschieten. Dese luiden hebben eens op een tijdt een Buckingh op den wegh gevonden, daer sy seer af verschrikten, niet wetende wat het voor een monster was; Doe quammer een oude Vrouwe, en seide, mijn Soone is seer bereyst hy heeft eens ter Meulen, en twee-mael ter Kercken geweest: Die wierde daer over voor den Raedt ontbooden, alwaer hem dit monster ghetoont worde, en seyden hem, wy hebben verstaen dat ghy veele ghereyst hebt, soo souden wy geerne van u weten of gy dit monster kendet, en ons te segghen hoe het heet; Hy het wel besiende, seide, soo het gheen Leeu of geen Wolf, of gheen Beir en is, soo isset een Ringhel-duive; waer over sy noch huyden ten dage genaemt werden Botjanners.
Beschrijving
In een zeker land woont een volk dat hele rare dingen eet. Op een dag vinden ze een bokking op de weg en weten niet wat dit is. Ze halen er iemand bij die veel gereisd heeft en die zegt dat het een ringduif is.
Bron
Jan Pietersz. Meerhuysen, De geest van Jan Tamboer of Uytgeleeze stoffe voor de klucht-lievende ionckheydt, Amsterdam, 1659, drie delen
Commentaar
1659
Naam Overig in Tekst
Botjanner-landt   
Botjanners   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
