Hoofdtekst
Van een Backer die onse lieve Vrouwe om neering badt.
Het is binnen Steenwijck gebeurt dat daer een Backer was genaemt Andries Quaedpenningh, de selve quam in de Vrouwen kercke, by onse Lieve Vrouwen beeldt, die op een groote stoel sat, met het Kindeken op de schoot, haer biddende dat sy hem doch neeringe wilde verleenen; die Koster die achter een pilaer stont, sprak met een teere stemme, backt swaerder; hy hielt aen, en de Koster sprack weder, backt swaerder; hy ten laetsten quaet wordende sprack, swijgh du schijtte, laet dijn Moer spreken.
Het is binnen Steenwijck gebeurt dat daer een Backer was genaemt Andries Quaedpenningh, de selve quam in de Vrouwen kercke, by onse Lieve Vrouwen beeldt, die op een groote stoel sat, met het Kindeken op de schoot, haer biddende dat sy hem doch neeringe wilde verleenen; die Koster die achter een pilaer stont, sprak met een teere stemme, backt swaerder; hy hielt aen, en de Koster sprack weder, backt swaerder; hy ten laetsten quaet wordende sprack, swijgh du schijtte, laet dijn Moer spreken.
Beschrijving
Een bakker bidt bij het Onze Lieve Vrouwe beeld om betere middelen van bestaan. De koster doet net of het kindeke antwoord geeft en zegt dat hij meer moet bakken. De bakker raakt geïrriteerd en zegt dat hij zijn mond moet houden en zijn moeder moet laten spreken.
Bron
Jan Pietersz. Meerhuysen, De geest van Jan Tamboer of Uytgeleeze stoffe voor de klucht-lievende ionckheydt, Amsterdam, 1659, drie delen
Commentaar
1659
Naam Overig in Tekst
Andries Quaedtpenningh   
Onze Lieve Vrouwe   
Naam Locatie in Tekst
Steenwijk [Steenwijck]   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
