Hoofdtekst
Van een Mennisten Bisschop die sijn VVyfs pels verwisselde.
Een seker scheven Kerel, de snootste Weder-dooper die in de werelt was, en sijnde een Bisschop van die seckte, een man van een statigh wesen, en sag so wijffelik als een Apostel die de Kalvers maeckt; dese hadde een Concubyne naest sijn deure woonen, daer niemandt quaedt vermoeden op hadde: Soo ghebeurde het op een nacht dat hy by sijn Vrouwe [p. 203] op het bedde lagh, en hem de grillen wederom in de kop komende, om by haer te wesen, seyde tegens sijn vrouwe, wijf ick krijghe sulcken snijdinghe in mijn lijf, ick moet eens nae het gemaeck gaen; Sy seide doet soo, maer slaet mijn pels om ghy soud anders verkouden, ghelijck hy dede: Hy stont op, en ging achter uyt, en ginck tot sijn Nabuyrinnen weder in, en dede daer met haer het gheen hem luste, maer spoede hem soo kloeck als hy konde, en door het haestigh wederom keeren nam hy de onrechte pels mede, en ginck wederom by sijn Vrouwe op het bedde: Des morgens wilde sijn Vrouwe op staen, en schoot die pels over het hooft, maer konde daer niet in, overmidts sy een dicke Vrouwe was, en die ander daer tegen een teere Vrouwe: Doen seide sy, Man waer koemt ghy aen dese pels? dit is sijn leven geen deegh spel: Hy wist niet wat hy segghen sou, seyde dat het die pels wesen moeste die hy mede ghenomen hadde, en sy quaedt achter dencken krijghende, en wel merckende dat de Aexster de eyeren ghestoolen waren, begon sy te kijven en te rasen dat het die ghebueren hoorden: Doen quam het voort in 't licht, en oock onder sijn Ghemeente, die tot hem quamen en seiden, Broeder, hoe hebt ghy dit soo gemaeckt? Hy wist niet veel te seggen, dewijl't alleman wist: Sy seyden voorders tot hem ghy hadt dat wel beter mogen maken, want dit sal [p. 204] ons in een quade fame brenghen by onse partijen, die doch alle quaedt van ons spreken, en sullen seggen, sy makender doch gheen werck van, sy seggen, mijn geest begeert u vlees, ende andere sullen segghen, het zijn maer een deel schijn heyligen, Borsten tasters, Tobbe-kruypers, Dreck-wagens, en luxurieuse boeven, hoere-katers, bordeel brocken, en veel andere lasterlijcke namen meer, die sy gewent zijn van ons te spreecken: want het is altijdt met haer die Tibbets, de Huyse koopers, die Faem roovers, en dierghelijcke lasterlijcke namen meer. Ongetwijffelt sullen sy ons nu weder met een nieuwe quade naem versien, het welcke oock geschiede; want hy wordt noch op desen dagh Wissel-pels genaemt, ende sijn Ghemeente de Wissel-pelssen.
Een seker scheven Kerel, de snootste Weder-dooper die in de werelt was, en sijnde een Bisschop van die seckte, een man van een statigh wesen, en sag so wijffelik als een Apostel die de Kalvers maeckt; dese hadde een Concubyne naest sijn deure woonen, daer niemandt quaedt vermoeden op hadde: Soo ghebeurde het op een nacht dat hy by sijn Vrouwe [p. 203] op het bedde lagh, en hem de grillen wederom in de kop komende, om by haer te wesen, seyde tegens sijn vrouwe, wijf ick krijghe sulcken snijdinghe in mijn lijf, ick moet eens nae het gemaeck gaen; Sy seide doet soo, maer slaet mijn pels om ghy soud anders verkouden, ghelijck hy dede: Hy stont op, en ging achter uyt, en ginck tot sijn Nabuyrinnen weder in, en dede daer met haer het gheen hem luste, maer spoede hem soo kloeck als hy konde, en door het haestigh wederom keeren nam hy de onrechte pels mede, en ginck wederom by sijn Vrouwe op het bedde: Des morgens wilde sijn Vrouwe op staen, en schoot die pels over het hooft, maer konde daer niet in, overmidts sy een dicke Vrouwe was, en die ander daer tegen een teere Vrouwe: Doen seide sy, Man waer koemt ghy aen dese pels? dit is sijn leven geen deegh spel: Hy wist niet wat hy segghen sou, seyde dat het die pels wesen moeste die hy mede ghenomen hadde, en sy quaedt achter dencken krijghende, en wel merckende dat de Aexster de eyeren ghestoolen waren, begon sy te kijven en te rasen dat het die ghebueren hoorden: Doen quam het voort in 't licht, en oock onder sijn Ghemeente, die tot hem quamen en seiden, Broeder, hoe hebt ghy dit soo gemaeckt? Hy wist niet veel te seggen, dewijl't alleman wist: Sy seyden voorders tot hem ghy hadt dat wel beter mogen maken, want dit sal [p. 204] ons in een quade fame brenghen by onse partijen, die doch alle quaedt van ons spreken, en sullen seggen, sy makender doch gheen werck van, sy seggen, mijn geest begeert u vlees, ende andere sullen segghen, het zijn maer een deel schijn heyligen, Borsten tasters, Tobbe-kruypers, Dreck-wagens, en luxurieuse boeven, hoere-katers, bordeel brocken, en veel andere lasterlijcke namen meer, die sy gewent zijn van ons te spreecken: want het is altijdt met haer die Tibbets, de Huyse koopers, die Faem roovers, en dierghelijcke lasterlijcke namen meer. Ongetwijffelt sullen sy ons nu weder met een nieuwe quade naem versien, het welcke oock geschiede; want hy wordt noch op desen dagh Wissel-pels genaemt, ende sijn Ghemeente de Wissel-pelssen.
Beschrijving
Een geestelijke houdt het ook met andere vrouwen. Op een nacht zegt hij tegen zijn vrouw dat hij heel nodig naar het toilet moet, maar hij gaat naar de buren om snel met een meisje seks te hebben. Hij heeft de bontjas van zijn vrouw aan en neemt de verkeerde mee terug naar huis en zijn bedrog komt uit.
Bron
Jan Pietersz. Meerhuysen, De geest van Jan Tamboer of Uytgeleeze stoffe voor de klucht-lievende ionckheydt, Amsterdam, 1659, drie delen
Commentaar
1659
Naam Overig in Tekst
Mennoniet   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
