Hoofdtekst
Van twee die gebiecht hadden.
Twee persoonen te Biecht gaende aen sijn Heyligheyt, den eenen quam eerst en dede sijn Biechte, seggende, Heylige Vader, ick hebbe grootelijcks gesondight; Wat is dat dan dat ghy gedaen hebt, vraeghde hem de Paus? Ick hebbe my eens verloopen met een Bagijne en mijn wille daer mede ghedaen, begeerende daer van absolutie: De Paus wederom seyde dat is groote sonde, en swaer om te vergeven dat soude veel ghelts moeten kosten; Hy seyde, dat hebbe ick niet mijn Heylighe Vader soo meught ghy dan voor den Duyvel varen ende hy moest alsoo onghetroost wech gaen. Den anderen quam oock om sijn Biechte te doen, ende seyde: Heylighe Vader, ick hebbe my grootelicks verloopen. De Paus seyde laet hooren: Ick hebbe, seyde hy, onnatuerlicke moet-wil bedreven met een Koe: De Paus seyde, dat is een groote gruwel, maer men kan met gheldt veel doen: hy seide, dat heb ick ghenoegh, ende sy veraccordeerden om een stuck geldts, kreegh Absolutie, ende [p. 207] ginck doe heen. Hy quam weder by sijn mede maet, ende hem vraeghende hoe hy ghevaren was. Och! seyde hy, voor my was geen genade, ick hadde geen gheldt, maer hoe bent ghy gevaren vraeghde hy wederom? Al wel seyde hy, hadt ik meer geldt ghehadt, ick hadde de Koe wel mogen trouwen.
Twee persoonen te Biecht gaende aen sijn Heyligheyt, den eenen quam eerst en dede sijn Biechte, seggende, Heylige Vader, ick hebbe grootelijcks gesondight; Wat is dat dan dat ghy gedaen hebt, vraeghde hem de Paus? Ick hebbe my eens verloopen met een Bagijne en mijn wille daer mede ghedaen, begeerende daer van absolutie: De Paus wederom seyde dat is groote sonde, en swaer om te vergeven dat soude veel ghelts moeten kosten; Hy seyde, dat hebbe ick niet mijn Heylighe Vader soo meught ghy dan voor den Duyvel varen ende hy moest alsoo onghetroost wech gaen. Den anderen quam oock om sijn Biechte te doen, ende seyde: Heylighe Vader, ick hebbe my grootelicks verloopen. De Paus seyde laet hooren: Ick hebbe, seyde hy, onnatuerlicke moet-wil bedreven met een Koe: De Paus seyde, dat is een groote gruwel, maer men kan met gheldt veel doen: hy seide, dat heb ick ghenoegh, ende sy veraccordeerden om een stuck geldts, kreegh Absolutie, ende [p. 207] ginck doe heen. Hy quam weder by sijn mede maet, ende hem vraeghende hoe hy ghevaren was. Och! seyde hy, voor my was geen genade, ick hadde geen gheldt, maer hoe bent ghy gevaren vraeghde hy wederom? Al wel seyde hy, hadt ik meer geldt ghehadt, ick hadde de Koe wel mogen trouwen.
Beschrijving
Twee vrienden gaan biechten bij de paus. De eerste bekent dat hij het weleens met een begijn gedaan heeft en wil dat deze zonde vergeven wordt. Hij heeft echter niet genoeg geld om dat af te kopen. De tweede biecht op dat hij het met een koe gedaan heeft. Hij heeft wel genoeg geld om het af te kopen en had hij meer gehad, dan had hij ook wel met die koe mogen trouwen.
Bron
Jan Pietersz. Meerhuysen, De geest van Jan Tamboer of Uytgeleeze stoffe voor de klucht-lievende ionckheydt, Amsterdam, 1659, drie delen
Commentaar
1659
Naam Overig in Tekst
Begijn   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
