Hoofdtekst
Van een Man die meende dat hem de Duyvel halen woude.
Het is tot Campen ghebeurt dat eenighe Drincke-broers by malkander in een Herberge waren te drincken, en eene van haer was in de Hof gegaen om sijn behoefte doen, en een ander volghde hem, en in de Hoff komende, rees d'eerst uyt-gegane over eynde, en liet de Broeck op de hielen vallen; Den anderen van hem niet wetende, wierde vervaert, alsoo het duyster was, meende dat daer spoeck stondt, en riep wie daer? Den anderen sweegh al stille: Hy roept noch eens wie daer? en die ander sweegh noch al stille, en quam soo nae hem toe gaen. Hy noch meer vreese krijghende, trock op de loop, en om de naeste wegh te kiesen, sagh hy een Venster open staen dat leegh by der aerden was, om daer in te klimmen, dat hy dede: De ander een loosen schalck zijnde, liep hem aen, en greep hem by de beenen, settede sijn eene been teghen de Muyre en trock hem te rugge: De ander begon te krijtten, en riep om hulpe; Hy die daer en tegen een sterck man was, hielt hem lustigh vast: Hy seer beanghst zijnde, riep, mannen Broeders helpt my, de Duivel wint het anders, en doe quamense en helpen hem, maer en konden het hem [p. 224] sijn leven niet uyt het hooft brenghen, hoewel de Man selfs seide, dat hy het geweest was die hem by de beenen getrocken hadde: Hy daer en teghen seide dat het onmoghelick was, dat een mensche sulcke kracht hadde.
Het is tot Campen ghebeurt dat eenighe Drincke-broers by malkander in een Herberge waren te drincken, en eene van haer was in de Hof gegaen om sijn behoefte doen, en een ander volghde hem, en in de Hoff komende, rees d'eerst uyt-gegane over eynde, en liet de Broeck op de hielen vallen; Den anderen van hem niet wetende, wierde vervaert, alsoo het duyster was, meende dat daer spoeck stondt, en riep wie daer? Den anderen sweegh al stille: Hy roept noch eens wie daer? en die ander sweegh noch al stille, en quam soo nae hem toe gaen. Hy noch meer vreese krijghende, trock op de loop, en om de naeste wegh te kiesen, sagh hy een Venster open staen dat leegh by der aerden was, om daer in te klimmen, dat hy dede: De ander een loosen schalck zijnde, liep hem aen, en greep hem by de beenen, settede sijn eene been teghen de Muyre en trock hem te rugge: De ander begon te krijtten, en riep om hulpe; Hy die daer en tegen een sterck man was, hielt hem lustigh vast: Hy seer beanghst zijnde, riep, mannen Broeders helpt my, de Duivel wint het anders, en doe quamense en helpen hem, maer en konden het hem [p. 224] sijn leven niet uyt het hooft brenghen, hoewel de Man selfs seide, dat hy het geweest was die hem by de beenen getrocken hadde: Hy daer en teghen seide dat het onmoghelick was, dat een mensche sulcke kracht hadde.
Beschrijving
Een boer zit met wat vrienden te drinken en gaat dan buiten zijn behoefte doen. De anderen halen een grap met hem uit en maken de boer bang. Hij probeert te vluchten en een raam in te klimmen, maar een van zijn vrienden trekt hem aan de benen. De boer denkt dat de duivel hem komt halen.
Bron
Jan Pietersz. Meerhuysen, De geest van Jan Tamboer of Uytgeleeze stoffe voor de klucht-lievende ionckheydt, Amsterdam, 1659, drie delen
Commentaar
1659
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22