Hoofdtekst
Er was een jongen die moest vrijdags biechten. Toen vroeg de pastoor hem wat. Toen zei die jongen: "Ik speel tegenwoordig veel met mezelf."
Toen zei de pastoor: "Dat moet je niet doen. Dat moet je bewaren tot je getrouwd bent."
Na verloop van een half jaar komt hij met een meisje aan zijn arm de kerk in om te trouwen. De pastoor zegt tegen hem: "Dat is goed werk." Maar na de ceremonie zegt de jongen tegen de pastoor: "Ik heb nu zes jampotjes vol. Wat moet ik er mee doen?"
Toen zei de pastoor: "Dat moet je niet doen. Dat moet je bewaren tot je getrouwd bent."
Na verloop van een half jaar komt hij met een meisje aan zijn arm de kerk in om te trouwen. De pastoor zegt tegen hem: "Dat is goed werk." Maar na de ceremonie zegt de jongen tegen de pastoor: "Ik heb nu zes jampotjes vol. Wat moet ik er mee doen?"
Beschrijving
Een jongen biecht de pastoor op dat hij veel masturbeert. De pastoor zegt hierop 'Dat moet je niet doen. Dat moet je bewaren tot je getrouwd bent'. Een poosje later komt hij met een meisje aan de arm naar de kerk om te trouwen. De jongen zegt tegen de pastoor 'Ik heb nu zes jampotjes vol. Wat moet ik er mee doen?'.
Bron
Collectie Jaarsma, verslag 1140, verhaal 7 (archief MI)
Commentaar
6 september 1974
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21