Hoofdtekst
Er woonden twee buren op een flat, de tweede en derde etage. Die mannen verdienden allebei hetzelfde salaris, maar van de derde etage konden ze zich alles permiteren. Ze hadden alles, een auto, motorboot, zeiljacht, televisie, en noem maar op. Ze liepen altijd keurig gekleed, zij in een prachtige bontjas 's winters.
Op een goeie dag raken die twee mannen met elkaar in gesprek. Toen vroeg die van de tweede etage aan die van de derde etage: "Hoe komt het toch, dat jullie het zo goed hebben? We hebben allebei hetzelfde salaris, en jullie kunnen je alles permiteren, terwijl wij niets hebben."
Ik wil het je wel zeggen, zegt de man van de derde etage, als je het maar niet aan anderen vertelt.
Accoord, zei de man van de tweede etage.
Nou, zegt de buurman van driehoog, mijn vrouw heeft een rijke bink aan de hand, daar krijgt ze honderd gulden van voor een uurtje bij hem te zijn. Nou, dat is mooi, zegt de man van de tweede etage, ik ga mijn vrouw vragen, of ze dat ook wil doen.
Zo gezegd, zo gedaan. Die vrouw van de tweede etage gaat er 's avonds op uit en de man blijft thuis. Inmiddels verstrijkt de tijd, het wordt een uur, twee uur, drie uur, eindelijk komt de vrouw in de verte aangelopen, verfomfaaid, d'r hoed scheef op d'r hoofd, d'r haren in de war, haar kleding zat onder de kreukels, dat die man zegt tegen zijn vrouw: God kind, wat zie je er uit, hoe komt dat? En heb je wat verdiend?
Ja hoor, zegt ze, ik heb gezocht naar een bink van honderd gulden, die kon ik niet vinden, maar ik heb er wel honderd van een gulden gehad.
Op een goeie dag raken die twee mannen met elkaar in gesprek. Toen vroeg die van de tweede etage aan die van de derde etage: "Hoe komt het toch, dat jullie het zo goed hebben? We hebben allebei hetzelfde salaris, en jullie kunnen je alles permiteren, terwijl wij niets hebben."
Ik wil het je wel zeggen, zegt de man van de derde etage, als je het maar niet aan anderen vertelt.
Accoord, zei de man van de tweede etage.
Nou, zegt de buurman van driehoog, mijn vrouw heeft een rijke bink aan de hand, daar krijgt ze honderd gulden van voor een uurtje bij hem te zijn. Nou, dat is mooi, zegt de man van de tweede etage, ik ga mijn vrouw vragen, of ze dat ook wil doen.
Zo gezegd, zo gedaan. Die vrouw van de tweede etage gaat er 's avonds op uit en de man blijft thuis. Inmiddels verstrijkt de tijd, het wordt een uur, twee uur, drie uur, eindelijk komt de vrouw in de verte aangelopen, verfomfaaid, d'r hoed scheef op d'r hoofd, d'r haren in de war, haar kleding zat onder de kreukels, dat die man zegt tegen zijn vrouw: God kind, wat zie je er uit, hoe komt dat? En heb je wat verdiend?
Ja hoor, zegt ze, ik heb gezocht naar een bink van honderd gulden, die kon ik niet vinden, maar ik heb er wel honderd van een gulden gehad.
Beschrijving
Van twee stellen die op de tweede en derde etage van een flat wonen verdienen de mannen evenveel. Het stel van de derde etage kan zich echter veel meer permitteren dan het stel van de tweede etage, omdat de vrouw wat bijverdient in de prostitutie. Als de man van de tweede etage zijn buurman hierop aanspreekt, zegt de buurman van de derde etage dat zijn vrouw 'een bink van honderd gulden' heeft. Als de vrouw van de tweede etage ook op zoek gaat naar zo'n man die haar honderd gulden wil geven voor een uurtje gezelschap, komt ze uren later helemaal verfomfaaid thuis. Een bink van honderd gulden heeft ze niet gevonden; wel honderd binken van één gulden.
Bron
Collectie Jaarsma, verslag 1163, verhaal 4 (archief MI)
Commentaar
10 oktober 1977
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21